Terug naar zoeken
5:1


Algemeen hoort men bij u over ontucht,

en wel een zodanige ontucht
als bij de heidenen niet voorkomt:
dat iemand het houdt
met de vrouw van zijn vader!

5:2


En jullie maar dik doen!

Waren jullie niet liever in de rouw gegaan?-
dan was hij uit jullie midden verwijderd
die deze daad heeft begaan.

5:3


Ik voor mij heb, naar het lichaam afwezig

maar in de geest aanwezig,
als ‘aanwezige’ reeds geoordeeld
over hem die dit zó gedaan heeft:

5:4


om in de naam van de Heer Jezus,

als mijn geest en jullie samengekomen zijn,
samen met de kracht van onze Heer Jezus

5:5


deze man prijs te geven aan de satan,-

tot ondergang van het vlees,
opdat de geest wordt gered
op de dag van de Heer.

5:6


Niet fraai, die zelfvoldaanheid van u!

Weet ge niet dat een béétje zuurdesem
heel het deeg doorzuurt?

5:7


Reinigt u, doet weg het oude zuurdesem!,

opdat ge een nieuw deeg zult zijn,
zoals ge ook ongezuurde broden zijt.
Want ook ons paaslam is geofferd: Christus.

5:8


Daarom, laten we feestvieren

niet met het oude zuurdesem en niet
met het zuurdesem van slechtheid en ontucht
maar met de ongezuurde broden van
zonneklaarheid en waarachtigheid.

5:9


Ik heb u in de brief geschreven

dat ge u niet moet vermengen
met de ontuchtigen,-

5:10


niet álle ontuchtigen van deze wereld

of hebzuchtigen, uitbuiters of
beeldendienaars, daar ge dan
uit de wereld zoudt moeten weggaan.

5:11


Nee, ik schreef u dat ge u niet moet

vermengen met al wie wel broeder-of-zuster
genoemd wordt maar een ontuchtpleger is,
of een hebzuchtige of een beeldendienaar,
een lasteraar, een dronkaard of een uitbuiter;
met zo iemand moet ge niet samen eten.

5:12


Want wat zal ik oordelen

over buitenstaanders?
Maar zoudt ge niet oordelen
over hen die binnen zijn?

5:13


Over wie buiten staan zal God oordelen.

Maar binnen geldt:
‘verwijdert de boosdoener uit uw midden’

(Deut. 17,7).

Lees hoofdstuk 4 | Lees hoofdstuk 6