| 9:1 | Ben ik dan niet vrij?- ben ik dan geen apostel?- heb ik dan onze Heer Jezus niet gezien?- zijt gij dan niet mijn werk in de Heer?
|
| 9:2 | Al ben ik voor anderen geen apostel, voor u ben ik dat toch wel! Want de bezegeling van mijn apostelschap zijt gij, in de Heer.
|
| 9:3 | Mijn weerwoord aan wie mij beoordelen is dit.
|
| 9:4 | Hebben wij niet volmacht om te eten en te drinken?-
|
| 9:5 | hebben wij niet volmacht om een zuster als vrouw mee te nemen, net zoals de overige apostelen, de broeders van de Heer en Kefas?-
|
| 9:6 | of hebben alleen ik en Barnabas niet de volmacht om geen handwerk te doen?
|
| 9:7 | Wie moet in het leger ooit voor zijn eigen soldij zorgen?- wie plant een wijngaard en mag de vrucht ervan niet eten?- of wie is herder over een kudde en mag van de melk en kaas van de kudde niet eten?
|
| 9:8 | Het is niet alleen algemeen menselijk wat ik hiermee uitspreek, zegt ook de Wet dit alles niet?
|
| 9:9 | Want in de Wet van Mozes staat geschreven: ‘je zult een dorsende os niet muilbanden’
(Deut. 25,4). Maar God bekommert zich toch niet om de ossen?
|
| 9:10 | Of zegt hij het op alle manieren om ons? Ja, om ons staat er geschreven dat de ploeger moet ploegen in hope en de dorser óók in de hoop een deel te krijgen.
|
| 9:11 | Als wij voor ú de geestelijke zaken hebben gezaaid, is het dan te veel als wij iets van uw vleselijke zaken oogsten?
|
| 9:12 | Als anderen hun deel hebben van deze volmacht bij u, wij dan niet des te meer? Maar wij hebben van deze volmacht nooit gebruik gemaakt, nee, alles doorstaan wij om het evangelie van de Gezalfde niets in de weg te leggen.
|
| 9:13 | Ge weet toch dat zij die werkzaam zijn in de heilige dingen van het heiligdom éten, en dat zij die dicht bij het altaar zitten deel hebben aan wat op het altaar komt?
|
| 9:14 | Zo ook heeft de Heer verordend voor wie het evangelie verkondigen dat ze van het evangelie moeten leven.
|
| 9:15 | Maar zelf heb ik van niets hiervan gebruik gemaakt. Maar ik heb dit niet geschreven om het alsnog zó aan mij te laten geschieden. Ik zou liever sterven dan… Niemand zal mij mijn roem ontnemen!
|
| 9:16 | Hoewel: als ik het evangelie verkondig is dat voor mij geen stof tot roemen, want er rust een noodzaak op mij; want wee mij als ik het evangelie níet verkondig!
|
| 9:17 | Zou ik het als gewoon werk doen dan had ik recht op loon; maar ik doe het niet als gewoon werk, de uitdeling is mij toevertrouwd!
|
| 9:18 | Wat is dan mijn loon? Dat ik, als ik het evangelie verkondig, het evangelie kosteloos mag brengen en dus geen gebruik maak van de bevoegdheid die ik in de verkondiging heb.
|
| 9:19 | Want vrij ten opzichte van allen heb ik mij aller dienstknecht gemaakt, om er zoveel mogelijk te winnen.
|
| 9:20 | Voor de Judeeërs ben ik als een Judeeër geworden om Judeeërs te winnen; voor wie onder een wet staan als onder een wet, hoewel ik zelf niet onder een wet sta,- om mensen die onder een wet staan te winnen;
|
| 9:21 | voor wet-lozen als een wet-loze, hoewel ik niet leef zonder de wet van God maar met de wet van Christus in mij,- om wie wet-loos zijn te winnen;
|
| 9:22 | voor de zwakken een zwakke om de zwakken te winnen; voor allen ben ik van alles geweest om op alle manieren enkelen te redden.
|
| 9:23 | Álles doe ik voor het evangelie,- om er zelf ook deel aan te krijgen.
|
| 9:24 | Ge wéét het: wie in het stadion hardlopen lopen állen hard maar slechts één behaalt de prijs; loopt dan zó dat ge die haalt!
|
| 9:25 | Ieder die traint voor een wedstrijd beheerst zich in alles, zij om een vergankelijke krans te ontvangen, wij voor een onvergankelijke.
|
| 9:26 | Daarom loop ik niet hard zonder doel en ben ik geen bokser die in de lucht slaat;
|
| 9:27 | nee, ik gesel mijn lichaam en dwing het tot dienstbaarheid, om niet, hoe dan ook, na aan anderen gepredikt te hebben zelf afgewezen te worden.
|
| Lees hoofdstuk 8 | Lees hoofdstuk 10 |