| 12:1 | De Ene zendt Natan tot David; hij komt bij hem binnen en zegt tot hem: twee mannen waren er in éénzelfde stad, één rijk en één arm;
|
| 12:2 | de rijke had wolvee en rundvee, in grote overvloed;
|
| 12:3 | de arme niets van dat alles, behalve een ooilam, ééntje, een kleintje, dat hij had gekocht en in leven gehouden; het werd groot met hem en met zijn zonen tezamen, van zijn brood at het, uit zijn beker dronk het en op zijn schoot sliep het en het was hem als een dochter;
|
| 12:4 | toen er een wandelaar aankwam bij de man die rijk was, vond die het te erg om iets te nemen van zijn wolvee of rundvee om klaar te maken voor de reiziger die tot hem was gekomen; dus nam hij het lam van de man die arm was en maakte dat klaar voor de man die tot hem was gekomen!
|
| 12:5 | Hevig ontbrandt Davids toorn tegen die man,- en hij zegt tot Natan: bij het leven van de Ene!- ja, een kind des doods is de man die dat heeft gedaan!,
|
| 12:6 | en het ooilam moet hij viervoudig vergoeden,- daarom dat hij dit gesprokene heeft gedaan en om reden dat hij het niet erg heeft gevonden!
|
| 12:7 | Dan zegt Natan tot David: gij zijt die man!- zo heeft gezegd de Ene, Israëls God: ik heb jou gezalfd tot koning over Israël en ik heb je gered uit de hand van Saul;
|
| 12:8 | ik gaf aan jou het huis van je heer en de vrouwen van je heer in je schoot, en ik gaf aan jou het huis van Israël en Juda; en als het te weinig was voegde ik er voor jou nog dit en dat aan toe;
|
| 12:9 | waarom heb je het woord van de Ene veracht door te doen wat kwaad is in zijn ogen?- Oeria de Chitiet heb je geslagen met het zwaard om zijn vrouw voor jezelf tot vrouw te nemen!- hem heb je omgebracht door het zwaard van de zonen van Amon!-
|
| 12:10 | en nu zal het zwaard niet van je huis wijken tot in eeuwigheid,- daarom dat je mij hebt veracht en de vrouw van Oeria de Chitiet hebt genomen om jou tot vrouw te worden; ••
|
| 12:11 | zo heeft gezegd de Ene: zie, ik doe over je opstaan kwaad vanuit je eigen huis!- ik zal jouw vrouwen wegnemen voor je ogen en geven aan je metgezel; neerliggen zal hij met je vrouwen voor de ogen van deze zon!-
|
| 12:12 | want jij hebt dit in het verborgene gedaan,- maar ik zal dit woord doen tegenover heel Israël en tegenover de zon! ••
|
| 12:13 | Dan zegt David tot Natan: ik heb gezondigd tegen de Ene! •• Natan zegt tot David: ook al heeft de Ene je zonde voorbij laten gaan zodat je niet sterft,
|
| 12:14 | toch zal, omdat je de Ene smadelijk hebt gesmaad met dit woord, de zoon die jou gebaard is, de dood sterven!
|
| 12:15 | Dan gaat Natan weg naar zijn huis; en de Ene stoot het kind neer dat Oeria’s vrouw aan David heeft gebaard, en dat kwijnt weg.
|
| 12:16 | David zoekt God ter wille van de jongen; David vast een vasten,- binnengekomen heeft hij daar overnacht en zich te slapen gelegd op de aarde.
|
| 12:17 | De oudsten van zijn huis komen bij hem staan om hem te doen opstaan van de aarde,- maar hij heeft het niet gewild en heeft zich niet met hen verkwikt met brood.
|
| 12:18 | Het geschiedt op de zevende dag dat het kind sterft; Davids dienaren zijn bevreesd om hem te melden dat het kind is gestorven, want, hebben ze gezegd, zie, toen het kind in leven was hebben wij al tot hem gesproken en heeft hij niet gehoord naar onze stem,- hoe zullen wij dan tot hem zeggen ‘het kind is gestorven’?- hij zal iets kwaads doen!
|
| 12:19 | Maar David ziet dat zijn dienaren met elkaar fluisteren, en dan begrijpt David dat het kind gestorven is; David zegt tot zijn dienaren: is het kind gestorven?, en zij zeggen: ja, gestorven!
|
| 12:20 | Dan staat David van de aarde op, wast zich, zalft zich, verwisselt zijn kleren, komt dan binnen in het huis van de Ene en werpt zich neer; hij komt zijn huis weer binnen en vraagt of ze hem brood willen voorzetten, en eet dan.
|
| 12:21 | Zijn dienaren zeggen tot hem: wat is dit voor een woord dat je hebt gedaan?- omwille van het kind toen het nog leefde heb je gevast en geweend, en zodra het kind gestorven was ben je opgestaan en heb je je brood gegeten!
|
| 12:22 | Hij zegt: ja, toen het kind nog leefde heb ik gevast en geweend,- want, zei ik, wie weet is de Ene mij genadig en zal het kind leven;
|
| 12:23 | en nu is het gestorven: waarom zal ik vasten?, zou ik bij machte zijn het nog te laten terugkeren?- ik kan naar hem toe gaan, hij keert niet terug naar mij!
|
| 12:24 | Dan troost David zijn vrouw Batseba, komt bij haar binnen en ligt met haar neer; zij baart een zoon en hij roept als naam voor hem uit ‘Salomo’,- vol van vrede! De Ene heeft hem liefgehad
|
| 12:25 | en zendt een boodschap door de hand van Natan de profeet, en die roept als naam van hem uit ‘Jedidja’, lieveling van de Ene!- omwille van de Ene. •
|
| 12:26 | Joab voert oorlog met Raba van de zonen van Amon en verovert de koningsstad.
|
| 12:27 | Dan zendt Joab boden naar David,- en zegt: ik heb oorlog gevoerd met Raba en ook heb ik de waterstad veroverd;
|
| 12:28 | nu dan, verzamel de rest van de manschap, beleger de stad en verover haar,- anders moet ik zelf de stad veroveren en wordt mijn naam over haar uitgeroepen!
|
| 12:29 | Dan verzamelt David heel de manschap en gaat hij op Raba aan; hij voert oorlog met haar en verovert haar.
|
| 12:30 | Hij neemt de kroon van hun koning van diens hoofd af,- haar gewicht is een talent goud, met kostbaar gesteente, en voortaan is zij op het hoofd van David; het roofgoed van de stad heeft hij naar buiten gebracht: zéér veel.
|
| 12:31 | Als hij de manschap die zich in haar bevindt naar buiten heeft gebracht zet hij hen aan het werk met de steenzaag, met ijzeren houwelen en ijzeren bijlen, en heeft hij hen laten oversteken naar de tichelovens; zo doet hij aan alle steden van de zonen van Amon; dan keert David met heel de manschap naar Jeruzalem terug. •
|
| Lees hoofdstuk 11 | Lees hoofdstuk 13 |