| 7:1 | Het geschiedt als de koning zetelt in zijn huis,- en de Ene hem rust geschonken heeft van rondom, van al zijn vijanden,
|
| 7:2 | dat de koning zegt tot Natan de profeet: zie toch aan, ik zetel in een huis van cederhout,- en de ark van God zetelt onder het tentdoek!
|
| 7:3 | Dan zegt Natan tot de koning: al wat er in je hart is, ga en doe het,- want de Ene is mét je! ••
|
| 7:4 | Maar het geschiedt in die nacht dat het woord van de Ene geschiedt tot Natan en zegt:
|
| 7:5 | ga heen, zeggen moet je tot mijn dienaar, tot David: zo heeft gezegd de Ene: zul jíj voor mij een huis bouwen waarin ik kan zetelen?-
|
| 7:6 | want ik heb niet in een huis gezeteld vanaf de dag dat ik de zonen van Israël deed opklimmen uit Egypte tot op deze dag; ik ben heen en weer blijven gaan in een tent, in een tabernakel;
|
| 7:7 | overal waar ik heen ging met alle zonen Israël,- heb ik toen ooit een woord gesproken met één van Israëls stamrechters die ik gebood om mijn gemeente, Israël, te weiden, en gezegd: waarom hebt ge voor mij niet gebouwd een huis van cederhout?!-
|
| 7:8 | en nu moet je zó zeggen tot mijn dienaar, tot David: zó heeft gezegd de Ene, de Omschaarde: ik heb jou meegenomen van de weide, van achter de schapen,- om leidsman te worden over mijn gemeente, over Israël;
|
| 7:9 | ik ben met je geweest overal waar je ging en heb al je vijanden weggemaaid van je aanschijn; maken zal ik voor jou een naam zo groot als de naam van de groten der aarde;
|
| 7:10 | vaststellen zal ik voor mijn gemeente, voor Israël, een plaats; planten zal ik hem en wonen zal hij op zijn plek en niet meer opgeschrikt worden; kinderen der verkeerdheid zullen hem niet meer verdrukken zoals in het eerst,-
|
| 7:11 | en sinds de dag dat ik over mijn gemeente Israël richters heb geboden; rust zal ik je verschaffen van al je vijanden; gemeld heeft voor jou de Ene dat hij een huis voor jou zal maken, de Ene!-
|
| 7:12 | want zijn je dagen vervuld en zul je zijn gaan liggen bij je vaderen, doen opstaan zal ik dan je nazaat na jou die uit je ingewanden is uitgetogen; zijn koningschap zal ik bevestigen;
|
| 7:13 | hij zal voor mijn naam een huis bouwen,- en vastzetten zal ik de troon van zijn koningschap tot in eeuwigheid;
|
| 7:14 | íkzelf zal hem tot vader zijn en hij zal mij tot zoon wezen: als hij misdoet zal ik hem straffen met een stok van mannen en met plagen van zonen van Adam;
|
| 7:15 | mijn vriendschap zal niet van hem wijken,- zoals ik die wel heb doen wijken van Saul die ik heb verwijderd van voor je aanschijn;
|
| 7:16 | je huis en je koningschap zal aan je aanschijn worden toevertrouwd; je troon zal wezen: vaststaand tot in eeuwigheid!
|
| 7:17 | Naar al deze woorden en naar alles van deze aanschouwing,- zó heeft Natan tot David gesproken. ••
|
| 7:18 | Dan komt koning David binnen en zet zich neer voor het aanschijn van de Ene; hij zegt: wie ben ik, Heer-over-mij, Ene, en wat is mijn huis, dat ge mij tot hiertoe hebt doen komen?-
|
| 7:19 | en dit is nog te klein in uw ogen, Heer-over-mij, Ene!- en ge spreekt ook tot het huis van uw dienaar in verre tijden; dit als onderricht over de mensheid, Heer-over-mij, Ene!-
|
| 7:20 | wat zal David nog toevoegen aan zijn spreken tot u?- gij kent uw dienaar, Heer-over-mij, Ene!-
|
| 7:21 | omwille van uw woord en overeenkomstig uw hart hebt gij al dit grote gedaan en bekendgemaakt wie uw dienaar is;
|
| 7:22 | daarom zijt gij groot, Heer-over-mij, Ene; want niemand is als gij en niemand is God behalve gij, blijkens al wat wij met eigen oren hebben gehoord!-
|
| 7:23 | en wie is als uw gemeente, als Israël,- het enige volk op de aarde,- waarheen goden zijn gegaan om het zich los te kopen tot gemeente en om zich een naam neer te zetten; om voor hen iets groots te doen, vreeswekkende dingen voor uw land vanwege de verschijning van uw gemeente die gij u hebt losgekocht uit Egypte, verdrijvend volkeren en hun goden;
|
| 7:24 | gij hebt voor uzelf uw gemeente Israël gevestigd, u tot gemeente tot in eeuwigheid; gij, Ene, zijt voor hen tot God geworden!- ••
|
| 7:25 | nu dan, Ene, God, het woord dat ge hebt gesproken over uw dienaar en over zijn huis, geef het bestand tot in eeuwigheid!, en doe zoals ge hebt gesproken!-
|
| 7:26 | en groot zal uw naam zijn tot in eeuwigheid, dat men zal zeggen: de Ene, de Omschaarde, is God over Israël!, en het huis van uw dienaar, van David, zal vaststaan voor uw aanschijn;
|
| 7:27 | want gij, Ene, Omschaarde, Israëls God, hebt het oor van uw dienaar ontbloot en gezegd: een huis bouw ik voor u!- daarom heeft uw dienaar het hart gehad om tot u te bidden met dit gebed!-
|
| 7:28 | nu dan, Heer-over-mij, Ene, gij zijt het die God is, en uw woorden zullen waarachtigheid zijn; gij spreekt tot uw dienaar dit goede!-
|
| 7:29 | nu dan, onderneem het en zegen het huis van uw dienaar, zodat het voor eeuwig mag blijven voor uw aanschijn; want zelf hebt gij, Heer-over-mij, Ene, gesproken en door uw zegen zal het huis van uw dienaar gezegend zijn voor eeuwig! •
|
| Lees hoofdstuk 6 | Lees hoofdstuk 8 |