Instellingen

15


Dan zegt God tot Abraham:

Sarai, je vrouw,-
roep als haar naam niet meer ‘Sarai’,-
   vorstin voor mij,

nee, ‘Sarah’* Uit te spreken als en hierna gespeld ‘Sara’.,- vorstin! is haar naam;

16


zegenen zal ik haar

en ook zal ik je uit haar geven: een zoon;
zegenen zal ik haar
   en tot volkeren zal zij worden:

koningen van gemeenschappen
   zullen er uit haar worden!

17


Abraham valt op zijn aanschijn neer
   en lacht;

hij zegt in zijn hart:
aan een zoon van honderd jaar
   zal worden gebaard?-

en zal Sara ooit…
zal een dochter van negentig jaar baren?

18


Dan zegt Abraham tot God:

ach, moge Ismaël leven
   voor uw aanschijn!

19


Maar God zegt:

tóch is het Sara, je eigen vrouw,
die je een zoon gaat baren,
en uitroepen zal je als naam voor hem
   ‘Isaak’,- men lacht!;

met hém zal ik mijn verbond gestand doen
   tot een verbond voor eeuwig,
   voor zijn zaad na hem;