Instellingen

4


Dit zijn de geboorten van de hemelen
   en het aardland
   toen zij werden geschapen,-

ten dage
dat de Ene, God, aardland en hemelen maakte.

5


Alle struikgewas van het veld

geschiedt nog niet op het land
en alle gewas van het veld
   spruit nog niet uit,-

want de Ene, God,
   heeft het nog niet doen regenen
   over het land

er is géén –rode– mensheid
om de –rode– grond te dienen.

6


Maar een damp klimt op van het land,-

en heeft doordrenkt heel het aanschijn
   van de –rode– grond .

7


Dan formeert de Ene, God,
   de –rode– mens

van stof uit de –rode– grond
en blaast in zijn neusgaten
   ademhaling van leven;

zo wordt de –rode– mens
   tot levende ziel

8


Dan plant

de Ene, God, een hof in Eden,- liefland,
   in het oosten;

en zet dáárin
de –rode– mens
   die hij geformeerd heeft.

9


Ontspruiten doet

de Ene, God, uit de –rode– grond
alle geboomte, bekoorlijk om te zien
   en goed om van te eten,-

met de boom des levens
   in het midden van de hof,

ook de boom
der kennis van goed en kwaad.

10


Een rivier trekt uit Eden naar buiten

om de hof te drenken;
vandaar af splitst hij zich
en is hij vierkoppig geworden.

11


De naam van de eerste is Pisjon,-

die is het die omrondt
heel het land van de Chavila,-
daar waar het goud is;

12


en het goud van dat land is goed;

daar is de edelhars, en het gesteente beril.

13


De naam van de tweede rivier is Gichon,

díe is het die omrondt
heel het land van Koesj.

14


De naam van de derde rivier is Chidekel,

die loopt ten oosten van Asjoer;
de vierde rivier, dát is (de) Eufraat.

15


Dan neemt de Ene, God,
   de –rode– mens mee,

en laat hem rusten in de hof van Eden
om haar te dienen en haar te bewaken.