Instellingen

2


Sara wordt zwanger
   en baart aan Abraham een zoon
   in zijn ouderdom;

tegen de samenkomsttijd
   waarvan God heeft gesproken.

3


Dan roept Abraham als naam uit
   voor zijn zoon
   die hem gebaard is,
   die Sara hem gebaard heeft:
   Isaak,- men lacht!

4


Abraham besnijdt zijn zoon Isaak

als zoon van acht dagen,-
zoals hem heeft geboden: God.

5


Abraham is een ‘zoon van honderd jaar’,-

als aan hem gebaard wordt
   zijn zoon Isaak,- men lacht,

6


en Sara zegt:

lachen
heeft God mij aangedaan!-
ieder die het hoort zal om mij lachen!

7


En zij zegt:

wie had aan Abraham voorspeld
‘Sara zal zonen zogen?’
ja, in zijn ouderdom heb ik een zoon gebaard!