Instellingen

27


Als de jongens opgroeien

wordt Esau
een man die weet heeft van jacht,
   een man van het veld,-

Jakob een man van eenvoud,
zittend in tenten.

28


Isaak heeft Esau lief,
   want jachtbraad dat past in zijn mond,-

terwijl Rebekka Jakob liefheeft.

29


Eens braadt Jakob een braadstuk;

dan komt Esau aan van het veld,
   uitgeput is hij,-

30


en Esau zegt tot Jakob:

laat me onmiddellijk iets verslinden
   van het rode, dit rode,

want ik ben uitgeput!
Daarom roept men als naam voor hem
   Edom,- rode!

31


Jakob zegt:

verkoop vandaag je eerstelingsrecht
   aan mij!

32


Esau zegt:

zie, ik ga heen om te sterven,-
waarvoor eigenlijk heb ik
   eerstelingsrecht?

33


Dan zegt Jakob:

zweer het mij, vandaag!,
en hij bezweert het hem;
hij verkoopt zijn eerstelingsrecht aan Jakob.

34


Als Jakob

aan Esau
brood en linzenbraadstuk heeft gegeven,
eet en drinkt hij,
staat hij op en gaat hij heen;
zo veracht Esau het eerstelingsrecht.
••