Instellingen

1


De –rode– mens

heeft Eva, zijn vrouw, bekend;
zij wordt zwanger en baart Kaïn,-
   verworvene!

Ze zegt:
verworven heb ik een man, bij de Ene!

2


Zij voegt toe en baart

zijn broeder Abel,- ijlheid;
Abel wordt herder over wolvee,
Kaïn
is dienaar van de –rode– grond geworden.

3


Het geschiedt na verloop van dagen:

Kaïn doet komen van de vrucht
   van de –rode– grond

een broodgift aan de Ene.

4


Abel, ook hij heeft doen komen:
   van de eerstelingen van zijn wolvee
   en van hun vet;

de Ene slaat acht
op Abel en zijn broodgift.

5


Op Kaïn en zijn broodgift
   heeft hij geen acht geslagen;

dat brandt hevig in Kaïn
en zijn aanschijnstrekken vervallen.

6


Dan zegt de Ene tot Kaïn:

waarom is het in jou zo ontbrand en
waarom
   zijn je aanschijnstrekken vervallen?-

7


is er niet als je goed doet verheffing?-

en als je niet goed doet
ligt zonde voor de deur op de loer;
op jou is zijn hartstocht gericht,
en jij, jij moet over hem heersen!

8


Dan zegt Kaïn tot Abel, zijn broer:………* Wát Kaïn zegt staat er niet in de Masoretische tekst. Andere tekstversies hebben daarom: Dan zegt Kaïn tot zijn broer: laten we naar het veld gaan.

En het geschiedt: als zij op het veld zijn
staat Kaïn op tegen Abel, zijn broer,
   en vermoordt hem.

9


Dan zegt de Ene tot Kaïn:

waar is Abel, je broer?-
hij zegt: mij onbekend,-
ben ík mijns broeders hoeder?

10


Hij zegt: wát heb je gedaan!-

een stem!- stromen bloed van je broeder
schreeuwen mij toe
   van de –rode– grond!-

11


nu dan, vervloekt jij,

weg van de –rode– grond
   die haar mond moest opensperren

om de stromen bloed van je broeder
   op te nemen uit jouw hand;

12


wanneer je de –rode– grond dient

zal ze haar kracht niet toevoegen aan jou;
dolend en dwalend zul je wezen
   op het aardland!

13


Dan zegt Kaïn tot de Ene:

te groot is mijn misdaad om te dragen:

14


zie, ge hebt mij verjaagd vandaag

van op het aanschijn
   van de –rode– grond

en voor uw aanschijn moet ik mij verbergen;
ik ben dolend en dwalend geworden
   op het aardland,

het zal zo worden:
   wie mij vindt zal mij vermoorden!

15


Maar dan zegt de Ene tot hem:

zó niet; al wie Kaïn vermoordt,
zevenvoudig wordt hij gewroken;
de Ene zet op Kaïn een teken,
dat al wie hem vindt hem niet mag neerslaan.

16


Kaïn trekt weg van voor het aanschijn
   van de Ene;

hij zet zich neer in het land Nod,- dwaalspoor,
   ten oosten van Eden.

17


Kaïn bekent zijn vrouw,

ze wordt zwanger en baart Henoch;
hij wordt bouwheer van een stad
en roept een naam uit voor de stad
naar de naam van zijn zoon: Henoch!

18


Gebaard wordt aan Henoch:
   Irad,- stedeling,

en Irad
heeft Mechoejaël geboren doen worden;
Mechiaël
heeft Metoesjaël geboren doen worden en
Metoesjaël heeft Lamech
   geboren doen worden.

19


Lamech neemt zich twee vrouwen;

de naam van de ene is Ada,
de naam van de tweede is Tsila.

20


Dan baart Ada Javal;

díe is geworden
de vader
van wie neerzit met tent en kudde.

21


De naam van zijn broer is Joeval;

die is geworden
de vader
van al wie een greep heeft
   op harp en panfluit.

22


En Tsila, ook zij

heeft gebaard, en wel Toeval Kaïn,
een smid,-
elk die kerft in koper en ijzer;
en de zuster van Toeval Kaïn
   is Naäma.

23


Dan zegt Lamech tot zijn vrouwen:

Ada en Tsila, hoort naar mijn stem,
vrouwen van Lamech,
leent het oor aan wat ik zeg!-
want een man heb ik vermoord
   om een schram aan mij

en een pasgeborene
   om een striem in mij!-

24


want zevenvoudig wordt Kaïn gewroken,

en Lamech zevenenzeventigmaal!