Instellingen

1


En het geschiedt

aan het eind van een dubbeljaar
   van dagen:

Farao droomt;
ziedaar, hij staat aan de stroom;

2


en ziedaar, uit de rivier klimmen

zeven vaarzen omhoog,
schoon van aanzien
   en welgeschapen van vlees;

zij gaan weiden in het riet;

3


en ziedaar:

zeven andere vaarzen
klimmen ná hen omhoog uit de stroom,
kwalijk van aanzien en dun in het vlees;
en die stellen zich op
   opzij van de (andere) vaarzen

op de oever van de rivier;

4


dan verslinden de vaarzen

kwalijk van aanzien en dun van vlees
de zeven vaarzen
schoon van aanzien en welgeschapen!
En wakker wordt Farao.

5


Hij slaapt in

en droomt een tweede keer;
ziedaar: zeven aren
klimmen op in één halm,-
   ze zijn welgeschapen en goed;

6


en ziedaar: zeven aren,

dun en door de oostenwind verzengd,
ontspruitend ná hen;

7


dan verzwelgen de dunne aren

de zeven aren
welgeschapen en vol!
Wakker wordt Farao
   en ziedaar, het is een dróóm.

8


En het geschiedt in de ochtend:

zijn adem stokt
en hij zendt iemand
en roept alle uitleggers van Egypte
   en alle wijzen daar.

Farao vertelt hun zijn droom
en er is niemand
   die ze aan Farao kan duiden.

9


Dan neemt de vorst der schenkers het woord

bij Farao, en hij zegt:
mijn zonden,-
ik gedenk ze vandaag;

10


Farao was woedend op zijn dienaars,-

en gaf mij in bewaring
in het huis van de vorst der zwaarddragers,
míj
en de vorst van de bakkers;

11


wij droomden in een en dezelfde nacht
   een droom, ik en hij;

elk naar de duiding van z’n droom
   hebben wij gedroomd;

12


nu was daar bij ons een Hebreeuwse jongen,

dienaar van de vorst der zwaarddragers;
wij vertellen ze aan hem,
en hij duidt ons onze dromen;
ieder naar z’n droom heeft hij geduid;

13


dan geschiedt het:
   zoals hij aan ons heeft geduid,
   zó is het geschied;

míj heeft hij doen terugkeren op mijn post
   en hem heeft hij gehangen!

14


Dan zendt Farao iemand en roept Jozef;

haastig halen ze hem uit de put;
hij wordt geschoren, krijgt andere kleren aan
en komt aan bij Farao.

15


Farao zegt tot Jozef:

een droom heb ik gedroomd
en géén die hem kan duiden;
maar mijn persoon
heeft over u horen zeggen:
u hoort een droom en duidt hem!

16


Jozef antwoordt Farao en zegt:
   buiten mij om!-

God
moge antwoorden: vrede voor Farao!

17


Dan richt Farao het woord tot Jozef:

in mijn droom,-
ziedaar, ik sta op de lip van de stroom;

18


en ziedaar: uit de stroom

klimmen zeven vaarzen omhoog,
welgeschapen van vlees
   en schoon van gestalte;

die gaan weiden in het riet;

19


en ziedaar:

zeven andere vaarzen
   klimmen achter hen omhoog,

zwak en zeer kwalijk van gestalte
   en vel over been van vlees;

zo kwalijk als zij heb ik nog nooit gezien
   op heel het land van Egypte;

20


dan verslinden de vaarzen

vel over been en kwalijk
de zeven eerdere en welgeschapen vaarzen;

21


die komen in hun binnenste aan,

maar het is niet te merken
   dat ze in hun binnenste zijn aangekomen,

en hun aanzien blijft even kwalijk
als in de aanvang;
dan word ik wakker;

22


dan zie ik in mijn droom:

ziedaar, zeven aren
klimmen op in één halm, vol en goed;

23


en ziedaar: zeven aren,

steenhard,
   dun en door de oostenwind verzengd,
   ontspruiten achter hen aan;

24


dan verzwelgen de dunne aren

de zeven goede aren;
ik zeg het tegen de uitleggers
maar níemand die mij iets meldt!