Instellingen

1

Ene, mijn God zijt gij,
u zal ik verheffen, uw naam loven,
want gij hebt wonderlijks gedaan,-
raadsbesluiten van verre
   in waarheid en trouw,

2


want gij hebt een stad
   tot een steenhoop gemaakt,

een versterkte vesting tot een bouwval,-
het paleis van vreemdelingen
   is weg uit de stad,

in eeuwigheid wordt het niet herbouwd!

3


Daarom zullen ze u verheerlijken,
   een sterke gemeenschap,-

een vesting van tirannieke volkeren,
   zij zullen u vrezen.

4


Want gij zijt voor de geringe
   een sterkte geweest,
   een sterkte voor de arme in zijn benauwing,-

een toevlucht tegen een stortbui,
schaduw tegen de zomerhitte,
want het blazen van tirannen
   is als een stortbui in de winter,

5


als zomerhitte over uitgedroogd land;

het daveren van vreemdelingen
   onderdrukt gij,-

als zomerhitte door de schaduw van een wolk
zal hij de muziek van tirannen onderdrukken.

6


Maken zal de Ene, de Omschaarde,

voor alle gemeenschappen, op deze berg,
een feestdronk met olierijke spijzen,
   een feestdronk van lang-bewaarde wijnen,-

vetrijke spijzen vol merg,
glasheldere lang-bewaarde wijnen.

7


Laten slijten zal hij, op deze berg,

het aanschijn van de sluier
   waarmee zijn omsluierd
   alle gemeenschappen,-

en de bedekking waarmee zijn overdekt
   alle volkeren.

8


Verslinden zal hij de dood, voor immer,

en afwissen zal mijn Heer, de Ene, de tranen
   van elks aanschijn;

de smaad van zijn gemeente
zal hij wegdoen van over heel de aarde,
zó heeft de Ene gesproken!

9


Zeggen zal men te dien dage:

zie, deze is onze God,
   wij hebben gehoopt op hem
   en hij heeft ons gered,-

dit is de Ene, wij hebben gehoopt op hem,
laten wij juichen en verheugd zijn
   om de redding die hij heeft gebracht!

10


Want nu rust de hand van de Ene
   op deze berg,-

en onder hem zal Moab weggestampt worden
zoals stro wordt weggestampt
   in het water van een mestvaalt.

11


Zal hij midden daarin
   zijn handen uitspreiden,

zoals de zwemmer
   ze uitspreidt om te zwemmen,-

dan vernedert hij zijn hoge majesteit
ook met de kunstgrepen van zijn handen.

12


Het bolwerk,

de burcht van je muren,
   zal hij zuchtend ineen laten zakken,
   vernederen, ter aarde laten geraken
   tot in het stof!

••