Instellingen

1


Wee wie afdalen naar Egypte om hulp,

op paarden willen steunen;
ze achten zich veilig bij wagens zo talrijk
en bij ruiters zo buitengewoon stevig:
zonder acht te slaan op Israëls Heilige,
zonder te raadplegen de Ene.

2


Maar nog altijd is hij wijs
   en laat hij kwaad komen,

van zijn woorden zal hij niet afwijken;
opstaan zal hij
   tegen het huis van de kwaadstichters,

tegen hulp van wie onheil aanrichten.

3


De Egyptenaren zijn mens
   en geen godheid,

hun paarden zijn vlees en geen geest:
de Ene
strekt zijn hand uit,
en reeds is de helper gestruikeld,
   gevallen de geholpene,

tezamen vinden zij allen hun einde.
••

4


Want zó heeft de Ene tot mij gezegd:

zoals de leeuw gromt,
   de welp over zijn prooi,

tegen hem een volheid van herders
   wordt samengeroepen,

hij voor hun stemgeluid niet terugschrikt
en voor hun getier niet zwicht,-

zal afdalen de Ene, de Omschaarde,
om zijn strijdschaar in te zetten
   op de berg van Sion,

en op haar heuveltop.

5


Zoals fladderende vogels


zal de Ene, de Omschaarde,
   Jeruzalem beschutten,-

beschutten en redden, in een paasdaad
   uitkomst geven* Letterlijk: passerend (pasach) zal hij doen ontkomen..

6


Terugkeren zullen zij

tot hem van wie zij zo diep zijn afgeweken,
de zonen en dochters van Israël!

7


Ja, te dien dage

zullen zij verwerpen
ieder zijn godenbeeldjes van zilver
en zijn godenbeeldjes van goud,-
die uw handen u hebben gemaakt, tot zonde.

8


Vallen zal Asjoer door een zwaard,
   maar niet van een man,

een zwaard niet van een mens
   zal het verteren;

moeten vluchten zal het
   voor het aanschijn van een zwaard

en zijn uitgelezen jongelingen
   worden bestemd voor dwangarbeid.

9


Zijn rotssteen zal van schrik voorbijgaan,

panisch zullen zijn vorsten vluchten
   voor het vaandel!-

tijding van de Ene,
die een lichtend vuur heeft op Sion,
een oven in Jeruzalem.
••