Instellingen

1


Wee jou, verdelger,

zelf ben jij niet verdelgd,
verrader die ze niet verraden hebben!-
als je het verdelgen voltooid hebt
   zul je worden verdelgd,

als je het verraden hebt voleindigd
   zullen ze jou verraden.

••

2

Ene, wees ons genadig,
   op u hebben wij gehoopt,-
wees ons een sterke arm alle morgens,
ja de kracht die ons redt
   in tijd van benauwing!

3


Voor de stem van gedruis

zijn reeds gemeenschappen gevlucht,-
toen gij u verhief
stoven volkeren uiteen.

4


Roofgoed werd verzameld

zoals de kaalvreter verzamelt,-
zoals sprinkhanen zich op iets storten
   stortte hij zich erop.

5


Verheven is de Ene,

want hij woont in den hoge;
hij heeft Sion vervuld
van recht en gerechtigheid.

6


Wezen zal hij het vertrouwen van je tijden,

een weelde van heil, wijsheid, kennis,-
ontzag voor de Ene is haar schat.
••

7


Zie, die van Ariël

zullen schreeuwend de straat op gaan,-
de boden van de vrede zullen bitter wenen.

8


Heirbanen liggen er verwilderd bij,

wég is de voorbijganger op pad;
hij heeft het verbond verbroken,
   de steden verworpen,

met geen sterveling gerekend.

9


In rouw is het land, verlept,

de Libanon is ontgoocheld, is verwelkt;
de Sjaron is als de steppe geworden,
kaalgeschud is Basan, en Karmel.

10


Nu zal ik opstaan, zegt de Ene,-

nu mij oprichten,
nu mij verheffen!

11


Jullie zijn zwanger van stro, baren stoppels,-

uw geestesadem
is een vuur dat u verteert!

12


Gemeenschappen worden verbrand tot kalk,-

als afgehakte doornen
   zullen ze worden afgebrand.

••

13


Hoort, gij die verre zijt, wat ik heb gedaan,-

kent, gij die nabij zijt, mijn kracht!

14


Op de Sion zullen zondaars verschrikt zijn,

een beven zal gemene mensen bevangen;
wie van ons kan te gast zijn
bij een verterend vuur,
wie van ons te gast zijn
   bij de eeuwige brandstapels?

15


Wie wandelt in gerechtigheden

en spreekt in oprechtheid,-
wie gewin uit afpersingen
verwerpt,
wie liever zijn handpalmen lamschudt
dan dat hij steekpenningen aanpakt,
liever zijn oor toestopt
   dan van bloedvergieten hoort,

liever zijn ogen sluit dan kwaad ziet,

16


hij is het die mag wonen in den hoge,

bergvestingen op steenrotsen
   zullen zijn hoog vertrek vormen,-

zijn brood zal hem worden gegeven,
op zijn water mag hij vertrouwen.

17


Een koning in zijn schoonheid
   zullen uw ogen aanschouwen,-

een land van verste verten zullen zij zien.

18


Je hart zal de verschrikking overpeinzen:

wáár is nu hij die alles telde, wáár de weger,
wáár de teller van de torens?

19


Die manschap zo bruut zie je niet meer,-

die gemeenschap met z’n diepe,
   niet aan te horen spraak,

en die stamelende tong, niet te verstaan!

20


Aanschouw de Sion,

de veste waar wij samenkomen,-
laat je ogen Jeruzalem zien:
   een woonstee ongestoord,

een tent die niet wordt opgebroken,
   zijn pinnen worden nimmermeer uitgerukt

en geen van zijn touwen
   zal stuk worden getrokken.

21


Nee, daar is machtig de Ene over ons,

in dat oord
   van wijd-handige rivieren en stromen,-

waarover geen vloot van roeiers meer vaart,
geen bark van een machtige oversteekt.

22


Want de Ene is onze rechter,

de Ene stelt ons de wet,
de Ene is onze koning, hij is onze redder.

23


Maar jouw lijnen hangen dan los,-

zij houden hun mast niet in zijn voetstuk,
   spreiden geen vaandel uit;

dan zal een blinde
   een overvloed aan roofgoed verdelen,

lammen zullen zich van buit meester maken.

24


Geen inwoner zal zeggen ‘ik ben ziek’:

van de gemeente die daar zetelt
is de ongerechtigheid gedragen.