Instellingen

1


O al wie dorst lijdt,- gaat tot het water

en gij die geen geld hebt:
gaat, koopt koren en eet!-
gaat, koopt koren
niet voor geld,
   en wijn en melk voor geen prijs!-

2


waarom weegt ge zilver af
   voor wat geen brood is,

doet ge moeite
   voor wat niet kan verzadigen?-

hoort, hoort naar mij en eet wat goed is,
dan zal uw ziel zich verlustigen aan het vette;

3


neigt uw oor en gaat tot mij,

hoort, opdat uw ziel herleeft!-
ik smeed met u een eeuwig verbond,
de betrouwbare bewijzen
   van vriendschap aan David;

4


zie, als getuige voor de natiën
   heb ik hem gegeven,-

voorganger en gebieder van de natiën;

5


zie, een volk dat je niet kent zul jij oproepen,

volkeren die jou niet kennen
   zullen naar jou toesnellen,-

ter wille van de Ene, je God,
van Israëls Heilige,
   want hij wil jou luister verlenen!

••

6


Zoekt de Ene terwijl hij zich laat vinden,-

roept de Ene aan terwijl hij nabij is!

7


De boosdoener verlate zijn weg,

de man van onheil zijn gedachten;
hij kere terug naar de Ene
   en die zal zich over hem ontfermen,

naar onze God
   want die vergeeft veelvuldig.

8


Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten

en uw wegen niet mijn wegen!-
tijding van de Ene.

9


Want zoals de hemelen hoger zijn
   dan de aarde,-

zó zijn mijn wegen hoger dan uw wegen
en mijn gedachten dan uw gedachten!

10


Ja,

zoals neerdaalt de regen en de sneeuw
   uit de hemel,

en daarheen niet terugkeert
dan nadat hij de aarde heeft gelaafd,
haar heeft doen baren en laten uitspruiten,-
en zaad heeft gegeven aan de zaaier
en brood aan de eter,-

11


zó zal mijn woord zijn

dat wegtrekt uit mijn mond:
het keert niet ledig tot mij terug,-
dan nadat het gedaan heeft wat mij behaagt
en heeft doen lukken
   waarvoor ik het uitzond.

12


Ja, in vreugde zult ge wegtrekken,

in vrede worden voortgeleid;
de bergen en de heuvels
zullen voor uw aanschijn uitbreken in gejubel,
alle bomen des velds in de handen klappen.

13


In plaats van het doornbos
   schiet een cipres op;

in plaats van de distels
   schiet een mirteboom op;

worden zal dat voor de Ene tot een naam,
tot een eeuwig teken,
   dat niet wordt weggemaaid.

••