Instellingen

1


Zó heeft gezegd de Ene:

zie, ik laat over Babel
en tegen de ingezetenen van
‘Hart-van-mijn-tegenstanders’,-
een verdervende storm opsteken,

2


en zal naar Babel wanners zenden
   die haar zullen wannen

en haar land zullen uitschudden;
want ze zullen van rondom haar overvallen
   op de dag van het kwaad.

3


Laat niet op weg gaan
   hij die weg weet met zijn boog,

en laat hij niet in zijn pantser klimmen;
spaart haar jonge mannen niet,
slaat heel haar strijdschaar met de ban!

4


Vallen zullen doorboorden
   in het land van de Kasdiem,-

zwaargewonden in haar straten.

5


Maar Israël, en ook Juda,
   wordt niet als weduwe achtergelaten
   door zijn God,

door de Ene, de Omschaarde,-
al is hun land vol van schuld
tegenover Israëls Heilige.

6


Vlucht weg uit Babel,

laat ieder zijn ziel helpen ontsnappen,
laat u niet tot eeuwig zwijgen brengen
   door haar ongerechtigheid!-

want dit is voor de Ene de tijd van wraak,
wat is volvoerd
gaat hij haar vergelden.

7


Een gouden beker was Babel
   in de hand van de Ene,

die heel de aarde dronken maakte;
van haar wijn hebben volkeren gedronken
en zodoende zijn volkeren dol geworden.

8


Plotseling is Babel gevallen en brak het;

huilt nu over haar,
haalt balsem voor haar smart,
misschien geneest zij!

9


Wij trachtten Babel te genezen,
   maar zij was niet te genezen;

laat haar nu maar,
laten we gaan, ieder naar zijn land!,
want tot in de hemel reikt
   het gericht over haar,

het is verheven tot aan de wolken.

10


Gerechtigheid voor ons
   heeft de Ene naar voren gebracht,-

komt, laten we in Sion gaan vertellen
   deze daad van de Ene, onze God!

11


Scherpt de pijlen, vult de kokers!-

opgewekt heeft de Ene
de geest van de koningen van Medië,
want over Babel heeft hij het plan
   om het te vernietigen;

ja, dat is de wraak van de Ene,
de wraak voor zijn paleis!

12


Heft een banier op
   voor de muren van Babel,

versterkt de bewaking,
laten er wachters staan,
legt troepen in hinderlaag,-
want zoals de Ene van plan was,
zo zal hij doen
al wat hij heeft gesproken
   over de ingezetenen van Babel.

13


Je woonde
   aan een overvloed van waterstromen,

een overvloed van schatten;
nu is je einde gekomen,
   de ellemaat waarop je wordt afgeknipt!

14


Gezworen heeft de Ene, de Omschaarde,
   bij zijn eigen ziel:

al heb ik je met mensen gevuld
   als met graskevers,

ze zullen over jou aanheffen ‘stampen maar!’
••

15


Hij heeft de aarde gemaakt
   met zijn kracht,

met zijn wijsheid de wereld welgegrond,-
en met zijn onderscheidingsvermogen
   de hemelen uitgespreid.

16


Als hij zijn stem doet horen
   is er een gedreun van waterstromen
   in de hemel

en laat hij nevels opstijgen
   vanaf de rand van de aarde;

bij de regen heeft hij bliksems gemaakt
en uit zijn schatkamers
   brengt hij wind tevoorschijn.

17


Verstomd staat dan elk mens,
   hij weet eigenlijk niets,

beschaamd is elke goudsmid
   voor zijn snijbeeld;

ja, leugen is zijn gietwerk,
   ze missen geestesadem.

18


Enkel ijlheid zijn zij,

een bespottelijk maaksel;
ten tijde dat zij worden bezocht
   zullen zij vergaan.

19


Maar niet als zij is het deel van Jakob,

want hij is de formeerder van alles,
van de stam die het erfdeel is,-
Ene, Omschaarde’ is zijn naam!
••

20


Een plethamer was jij voor mij,

een oorlogsmachine;
ik verpletterde met jou volkeren,
vernietigde met jou koninkrijken.

21


Ik verpletterde met jou

een paard en zijn ruiter,-
ik verpletterde met jou
een wagen en zijn berijder.

22


Ik verpletterde met jou man en vrouw,

ik verpletterde met jou
   grijsaard en jongeling,-

ik verpletterde met jou
jonge man en jonge meid.

23


Ik verpletterde met jou een herder
   en zijn kudde,

ik verpletterde met jou
een akkerman en zijn gespan;
ik verpletterde met jou
stadhouders en plaatsvervangers.

24


Maar vergelden zal ik aan Babel

en aan alle ingezetenen van Kasdiem
al het kwaad dat zij in Sion hebben gedaan,
   voor uw ogen,-

is de tijding van de Ene.
••

25


Zie, ik kom op je af, berg van verderf,
   is de tijding van de Ene,

die heel de aarde verderft,-
ik zal mijn hand uitstrekken tegen jou,
ik zal je van de rotsblokken omlaag rollen
en je als berg prijsgeven aan brand.

26


Ze zullen uit jou
   geen hoeksteen meer nemen

of gesteente voor funderingen,-
want een eeuwige woestenij zul je worden,
   is de tijding van de Ene.

27


Hijst een banier op de aarde,

blaast bij de volkeren de bazuin,
   heiligt volkeren tegen haar,

laat tegen haar gehoorzamen
   de koninkrijken van Ararat,
   Mini en Asjkenaz;

stelt een satraap over haar aan,
laat tegen haar paarden oprukken
   als borstelige graskevers!

28


Heiligt volkeren tegen haar,
   de koningen van Medië,

haar stadhouders, al haar plaatsbekleders,-
heel het land van hun heerschappij.

29


Dan zal de aarde beven
   en kronkelen van pijn,-

omdat tegen Babel is opgestaan
   elk van de gedachten van de Ene

om het land van Babel te maken
tot een woestenij waar niemand meer zit.

30


Babels helden houden op met oorlogvoeren,

blijven zitten in de burchten,
verschrompeld is hun heldhaftigheid,
   ze zijn
   tot verschrompelde vrouwtjes geworden;

hun woningen worden in brand gestoken,
hun sluitbalken gebroken.