Instellingen

1


Het woord dat aan Jeremia is geschied

van bij de Ene, toen hij zei:

2


sta stil in de poort van het huis van de Ene

en roep daar
dit woord uit;
zeggen zul je:
hoort het woord van de Ene
gij allen van Juda
   die door deze poorten aankomt

om u te onderwerpen aan de Ene!
••

3


Zo heeft gezegd

de Ene, de Omschaarde, Israëls God:
betert uw handel en wandel,-
dan wil ik met u wonen in dit oord!-

4


zoekt uw veiligheid niet

in leugenwoorden, waarin gezegd wordt:
het paleis van de Ene,
   het paleis van de Ene,

het paleis van de Ene is dit!-

5


nee, als ge uw handel en wandel

beterend betert,-
als ge metterdaad recht doet
tussen iemand en diens metgezel,

6


zwerver-te-gast,
   wees en weduwe niet verdrukt

en geen onschuldig bloed
vergiet in dit oord,-
en geen andere goden achterna gaat,
   uzelf ten kwade,-

7


dan zal ik u doen wonen in dit oord,

in het land
dat ik aan uw vaderen heb gegeven;
van eeuwigheid en tot eeuwigheid.

8


Maar zie, gij zoekt uw veiligheid

bij leugenwoorden,-
die niet baten;

9


stelen, doodslaan en vreemdgaan,

op leugens een eed zweren
   en wierook brengen aan de baäl,-

en andere goden achterna gaan
die ge niet kent,

10


en dan wilt ge aankomen

en staan voor mijn aanschijn
in dit huis,
   waarover mijn naam is uitgeroepen

en zeggen ‘wij zijn gered’,-
om al deze gruwelijkheden
te doen?

11


Is het een rovershol

geworden, dit huis
   waarover mijn naam is uitgeroepen?-

ook ik, zie, ben het zo gaan zien,
   is de tijding van de Ene.

••

12


Want gaat toch

naar mijn oord in Sjilo
waar ik in het eerst mijn naam deed wonen,-
en ziet aan wat ik daarmee heb gedaan,-
gezien
het kwaad van mijn gemeente Israël;

13


welnu,

omdat ge al deze daden hebt gedaan,
   is de tijding van de Ene,-

en ik tot u sprak, heel vroeg al sprak
   en gij niet hebt willen horen,

ik u riep en gij niet hebt geantwoord,
nu zal ik

14


aan het huis
   waarover mijn naam is uitgeroepen,

waarin gij veiligheid zoekt
en aan het oord
dat ik aan u en uw vaderen heb gegeven,-
doen zoals ik aan Sjilo heb gedaan,

15


en u van voor mijn aanschijn wegwerpen,-

zoals ík uw broeders weggeworpen heb,
heel het zaad van Efraïm!
••

16


En jij,

bid niet voor deze gemeente,
hef voor hen geen geschreeuw en gebed aan
   en bestook mij daarmee niet,-

want ik zal je niet horen;

17


zie jij niet

wat zij in de steden van Juda doen,-
en in de straten van Jeruzalem?

18


De kinderen

lezen stukken hout bijeen,
de vaders steken het vuur aan
en de vrouwen kneden deeg,-
om koekjes te bakken
   voor ‘de koningin des hemels’

en plengoffers te plengen voor andere goden,
zodat ze mij krenken;

19


maar krenken ze mij?,
   is de tijding van de Ene,-

niet zichzelf,
tot beschaming van hun aanschijn?
••

20


Daarom

heeft mijn Heer, de Ene, zó gezegd:
zie, mijn toorn en mijn gramschap
   zal worden uitgegoten over dit oord,

over mens en dier,
over het geboomte des velds
   en over de vrucht van de –rode– grond,-

branden zal zij en niet worden geblust!
••

21


Zo heeft gezegd de Ene, de Omschaarde,
   de God van Israël:

voegt uw opgangsgaven bij uw slachtoffers
   en eet rustig het vlees op,

22


want ik heb met uw vaderen
   niet gesproken en hun niet geboden

ten dage dat ik hen uitleidde
   uit het land van Egypte,-

over woorden betreffende opgangsgave
   en slachtoffer;

23


alleen dít woord heb ik hun geboden,

toen ik zei: hoort naar mijn stem,
wezen zal ik u tot God
en gij zult mij tot gemeente wezen;
wandelen zult ge
over heel de weg die ik u zal gebieden,
opdat het u goedgaat!-

24


maar ze hebben niet gehoord
   en hun oor niet geneigd,

maar zijn voortgegaan in de raadslagen,
in de zelfverzekerdheid
   van hun kwaadaardig hart;

ze werden tot rug
   en niet tot aanschijn,

25


vanaf de dag

dat uw vaderen zijn weggetrokken
   uit het land van Egypte

tot op deze dag;
ik zond tot u
   al mijn dienaren de profeten,

vroeg op de dag zond ik ze;

26


maar ze hebben niet naar mij gehoord

en hun oor niet geneigd;
ze hebben hun nek verhard,
deden erger kwaad dan hun vaderen;

27


zul jij tot hen al deze woorden spreken

en horen ze niet naar jou,-
zul je tot hen roepen
   en antwoorden ze je niet,

28


zeggen zul je dan tot hen:

dit is het heidenvolk van hen die
   niet hebben willen horen

naar de stem van de Ene, hun God,
en geen terechtwijzing aannamen;
de trouw ging verloren,
weggesneden uit hun mond!
••

29


Scheer je godgewijde haardos af
   en werp die weg,

hef op kale hellingen een klaaglied aan!-
want de Ene heeft verworpen
en verstoten
   het geslacht van zijn verbolgenheid.

30


Want de zonen van Juda hebben gedaan
   wat kwaad is in mijn ogen,
   is de tijding van de Ene;

ze hebben hun griezelgoden neergezet
in het huis waarover mijn naam is geroepen
en hebben het zo besmet gemaakt,