Instellingen

1


jij, mensenzoon, profeteer over Gog

en zeg:
zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:
hier heb je mij tegen jou, Gog,
verhevene,
hoofd van Mesjech en Toeval;

2


ik zal je laten omkeren en je meetronen,

ik zal je laten opklimmen
   uit de heupen van het noorden;

ik zal je laten komen over Israëls bergen;

3


ik zal je boog wegslaan uit je linkerhand,-

en je pijlen
laat ik vallen uit je rechterhand;

4


daar op Israëls bergen zul je vallen,

jijzelf en al je troepen,
en de manschappen die bij je zijn;
aan roofvogels, vogels van elke vleugel
   en wat in het wild leeft op het veld
   zal ik jou te eten geven;

5


op het oppervlak van het veld zul je vallen,-

nu ík heb gesproken,
is de tijding van mijn Heer, de Ene;

6


ik zal een vuur uitzenden in Magog

en bij wie veilig zetelen op de eilanden;
erkennen zullen ze dat ik de Ene ben;

7


mijn heilige naam zal ik doen kennen

te midden van mijn gemeente Israël
en ik zal mijn heilige naam
   niet langer laten ontwijden;

erkennen zullen de volkeren
   dat ik de Ene ben,

heilig in Israël;

8


zie, het zal komen en geschieden,

is de tijding van mijn Heer, de Ene;
dat is de dag waarvan ik heb gesproken;

9


uittrekken zullen

de ingezetenen van Israëls steden
en de brand
steken in wapentuig: schild en lijfscherm,
   pijlen en boog,

in handknuppel en lans;
daarmee zullen ze een vuur laten branden
   zeven jaar lang;

10


ze hoeven dan geen boomstammen
   van het veld te dragen

of uit de bossen te kappen,
want ze houden een vuur brandend
   met dat wapentuig;

zij zullen beroven wie hen beroofden
en buit maken wie buit behaalden op hen,
is de tijding van mijn Heer, de Ene;
••

11


geschieden zal het te dien dage

dat ik aan Gog in Israël
   een plaats van naam als graf zal geven:

het Dal der Overstekers
   ten oosten van de zee,

dat wie daardoor oversteken muilbandt;
dáár zullen ze Gog begraven
   met heel zijn menigte,

en ze zullen er uitroepen:
Dal van de Menigte van Gog!-

12


het huis Israël, zij zullen hen begraven,

opdat het land gereinigd wordt,-
zeven maanden lang;

13


ja, heel de gemeenschap van het land,
   zij zullen hen begraven,

en dat zal hun wezen tot een naam,-
op de dag dat ik word verheerlijkt,
is de tijding van mijn Heer, de Ene;

14


voor vast zullen ze mannen apart zetten
   die het land oversteken

en de overstekers begraven
die zijn overgebleven
   op het aanschijn van het land,

om het zo te reinigen;
na afloop van zeven maanden
   zullen ze het doorvorsen;

15


de overstekers
   zullen het land oversteken

en ziet iemand een bot van een mens
dan zal hij terzijde daarvan
   een markering bouwen,-

totdat de begravers het hebben begraven
in het Dal van de Menigte van Gog;

16


ook is de naam van een stad Hamona,-
   menigte;

zo zullen ze het land reinigen;
••

17


jij, mensenzoon,
   zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:

zeg tot de vogels van elke vleugel
   en tot al wat in het wild leeft op het veld:

vergadert u,
   komt en verzamelt u van rondom

bij mijn offermaal
waarbij ik voor u een grote offerande offer
op Israëls bergen;
daar kunt ge dan vlees eten en bloed drinken;

18


vlees van helden kunt ge eten

en bloed
   van de verhevenen der aarde drinken,-

van rammen, hamels, bokken en varren,
allemaal mestvee van Basan;

19


het vetste moogt ge eten tot ge verzadigd zijt

en bloed moogt ge drinken
   tot ge dronken wordt,-

van de offeranden die ik aan u offeren zal;

20


ge moogt u verzadigen op mijn tafel
   aan paard en berijder,

aan een held en elke krijgsman,-
is de tijding van mijn Heer, de Ene;

21


ik zal mijn glorie
   vrij spel geven bij de volkeren,-

en alle volkeren zullen zien
mijn gerichten die ik zal doen
en mijn hand die ik bij hen zal neerzetten;

22


het huis Israël, weten zullen ze

dat ik de Ene ben, hun God,-
vanaf die dag en voortaan;

23


weten zullen de volkeren
   dat zij door hun eigen ongerechtigheid

in ballingschap weggevoerd zijn,
   het huis Israël;

omdat zij mij ontrouw zijn geworden
heb ik mijn aanschijn voor hen verborgen,-
heb ik hen overgegeven
   in de hand van hun benauwers

en zijn zij gevallen door het zwaard, zij allen;

24


overeenkomstig hun onreinheid
   en hun misstappen heb ik met hen gedaan,-

en heb ik mijn aanschijn voor hen verborgen;
••

25


daarom,

zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:

zal ik de kerkering van Jakob keren
en mij over het huis Israël ontfermen;
ik zal ijveren voor mijn heilige naam;

26


vergeten zullen zij hun smaad

en heel die ontrouw van hen waarmee zij
   tegen mij ontrouw zijn geweest,-

wanneer zij weer veilig zitten
   op hun –rode– grond
   en er niemand is die hen opschrikt,-

27


wanneer ik hen laat terugkeren
   uit de gemeenschappen

en hen zal vergaren
uit de landen van hun vijanden;
ik zal door hen geheiligd worden
voor de ogen van die vele volkeren;

28


weten zullen zij

dat ik, de Ene, hun God ben,
ik die hen in ballingschap wegvoerde
   naar de volkeren

en die hen voortstuurde
   over hun –rode– grond;

ik zal er van hen
   geen daar laten overblijven!-

29


niet langer zal ik mijn aanschijn
   voor hen verbergen,

nu ik over het huis Israël
   mijn Geest heb uitgestort,

is de tijding van mijn Heer, de Ene.