Instellingen

1


De Ene zegt tot Mozes:

hak je twee stenen platen uit,
   als de eerste;

schrijven zal ik op die platen
de woorden
die geweest zijn op de eerste platen,
   die je hebt verbrijzeld.

2


Wees tegen de ochtend gereed;

opklimmen zul je in de ochtend
   naar de berg Sinaï,

posteren zul je je dáár voor mij,
   op de top van de berg;

3


geen man mag met je mee opklimmen,

en ook mag op heel de berg geen man
   zich laten zien;

ook het wolvee en het rundvee
   mogen niet weiden

tegenover die berg!

4


Hij hakt uit:

twee stenen platen, als de eerste;
dan recht Mozes in de ochtend zijn schouders
   en klimt op naar de berg Sinaï,-

zoals de Ene hem heeft geboden;
in zijn hand neemt hij mee:
de twee stenen platen.

5


Néér daalt de Ene in de wolk

en posteert zich daar bij hem;
hij roept de naam ‘Ene’ uit.

6


Dan trekt de Ene voorbij,
   vlak voor zijn aanschijn,

en roept hij uit:

Ene, Ene,

Godheid ontfermend en genadig!-
lankmoedig en overvloedig
   in vriendschap en trouw!-

7


die vriendschap bewaart voor duizenden,

die onrecht verdraagt,
   overtreding en zonde;

maar ongestraft: níets laat hij ongestraft,
bezoekend het onrecht van vaders
aan zonen en zoons-zonen,
aan derden en vierden!

8


Dan haast Mozes zich,-

knielt ter aarde en buigt zich neer.

9


Hij zegt:

als ik toch genade heb gevonden
   in uw ogen, mijn Heer,

laat dan mijn Heer toch meegaan
   in ons midden;

want een gemeente hard van nek is het,
maar vergeven moet u ons onrecht
   en onze zonde
   en ons als erfdeel aanvaarden!

10


Dan zegt hij:

hier ben ik,
ik smeed een verbond;
tegenover heel je gemeente
   zal ik wonderen doen

zoals nog niet geschapen zijn
   op heel de aarde
   en bij welke van de volkeren ook;

zien zal heel de gemeente
   in welks kring jij bent
   het doen van de Ene,-
   dat het vreeswekkend is

wat ik samen met jou ga doen;