Instellingen

1


Ongelukkige die ik ben!,

want ik ben geworden
   als wie ooft hebben ingezameld,

als bij de nalezing bij de druivenpluk:
geen tros meer om te eten,
of een eerstelingsvijg
   voor mijn gulzige keel!

2


De vrome is verdwenen uit het land,

een oprechte is er niet meer
   in de mensheid,

allen liggen zij op de loer voor bloed,
ze jagen ieder op zijn broeder
   met een fuik;

3


voor kwaad stichten staan hun handen
   wel goed,

de vorst wenst,
de rechter richt voor vergelding,-
de grote
spreekt uit wat zijn ziel bevalt
   en zo vlechten ze het in elkaar;

4


de beste van hen is als een distel,

de meest oprechte erger dan
   een doornheg;

de dag van wie jou bespieden,
   waarop jij wordt bezocht
   is komend,

nú zal hun verwarring
   losbreken!

5


Vertrouwt niet meer op een makker,
   waant u niet veilig bij een metgezel;

bewaak de deuren van je mond
tegenover haar die ligt aan je boezem!

6


Want een zoon noemt een vader een dwaas,

een dochter zal opstaan tegen haar moeder,
een schoondochter tegen haar schoonmoeder,-
iemands vijanden zijn
   de mannen in zijn huisgezin!

7


Maar ik, ik zal uitkijken
   naar de Ene,

ik blijf verbeiden
   de God die mij redt,-

horen zal mij mijn God.

8


Mijn vijandin, verheug je maar niet
   over mij,

want ben ik gevallen, ik zal opstaan,-
wanneer ik neerzit in het duister
is de Ene mij een licht!
••

9


De woede van de Ene draag ik

omdat ik tegen hem heb gezondigd,-
totdat hij mijn geding beslecht heeft
   en over mij recht heeft gesproken;

hij zal mij uitleiden naar het licht,
ik zal zijn rechtvaardiging zien.

10


Als mijn vijandin dat ziet,
   zal schaamte haar overdekken

die tot mij heeft gezegd:
waar is nu de Ene, je God?-
mijn ogen zullen haar aanzien:
nú wordt zij iets dat je vertrapt,
   als het slijk van de straten!

11


‘Er komt een dag om je muren
   te herbouwen,-

van die dag is de termijn ver weg;

12


die dag zal men tot jou komen

van Asjoer af tot aan Matsor,-
en van Matsor tot aan de Rivier,
van zee tot zee en berg tot berg!’

13


Het land zal worden tot een woestenij,
   om wie daar zetelen,-

dat is de vrucht van hun handelingen!
••

14


Weid met uw staf uw gemeente,

het wolvee dat uw erfdeel is,
zij die eenzaam wonen
in een woud onder aan de Karmel;
laat hen Basan en Gilead beweiden
   als in de dagen van eeuwig;

15


als in de dagen toen gij uittoogt
   uit het land Egypte,-

laat ons zo wonderen zien!

16


Volkeren zullen ze zien
   en zich schamen,

beroofd van al hun heldenmoed;
ze zullen de hand voor de mond slaan,
en hun oren worden doof.

17


Ze zullen stof oplikken als de slang;

als wie kruipen over de aarde
komen zij sidderend uit hun schuilhoeken,-
vol schrik voor de Ene, onze God,
en bevreesd voor U.

18


Wie is een godheid als gij,

in het dragen van ongerechtigheid
   en het voorbijgaan aan een misstap

voor de rest van zijn erfdeel?
Hij houdt niet voor altijd vast
   aan zijn woede,

want hij heeft behagen
   in vriendschap.

19


Hij zal omkeren en zich onzer ontfermen,

hij zal onze ongerechtigheden vertreden;
al onze zonden
   zult gij werpen in de diepten der zee!

20

Gij zult trouw geven aan Jakob,
vriendschap aan Abraham,-
zoals gij gezworen hebt aan onze vaderen
   in de dagen van weleer!