Instellingen

1


Gebed van Habakuk, de profeet,-

op: ‘klaagzangen’.

2

Ene,
toen ik het ongehoorde van u hoorde
   werd ik bevangen van ontzag;


Ene,

laat uw werk in de nabije jaren leven,
maak het in de nabije jaren bekend;
wil in toorn ontferming gedenken.

3


Als God uit Teman aankomt,

de Heilige uit het bergland van Paran,
   sela,-

zal zijn lichtglans de hemelen bedekken,
zal zijn lof de aarde vervullen;

4


zijn schijnsel zal wezen als het licht,

twee stralende horens heeft hij in zijn hand,-
daarin is zijn kracht verborgen.

5


Voor zijn aanschijn uit gaat pest,-

koorts trekt heen voor zijn voeten.

6


Zal hij stilstaan dan wankelt de aarde,

ziet hij rond
   dan laat hij de volkeren opspringen,

verkruimelen aloude bergen,
zakken eeuwige heuvels zuchtend ineen,-
vallen wandelwegen van eeuwig hem toe.

7


Ik zal de tenten van Koesjan zien

onder het onheil,-
ze sidderen,
de tentkleden van het land Midjan!
••

8


Is de Ene ontbrand tegen de rivieren,

of richt zijn toorn zich tegen die rivieren,
of tegen de zee zijn verbolgenheid,-
wanneer gij rijdt op uw paard
met uw wagens van heil?

9


Naakter dan naakt maakt ge uw boog,

ge verzadigt van schachten uw pijlkokers,
   sela;

met rivieren splijt gij de aarde.

10


Toen bergen u zagen,
   kregen ze weeën,

dichte nevels stortten stromen water;
de oervloed gaf zijn geluid,
naar den hoge hief hij zijn handen op,

11


de zon; de maan stond stil
   in haar woning,-

voor het licht van uw pijlen
   in hun loop,

voor de lichtglans van de bliksem
   van uw lans.

12


In gramschap schreed u over de aarde,

in toorn trad u volkeren plat;

13


u trok uit tot redding
   van uw gemeente,

om uw gezalfde te redden,
verbrijzeld hebt gij het hoofd van het huis
   van de boze,

het fundament blootgelegd
   tot aan de hals, sela!

14


Met zijn eigen staven hebt gij
   het hoofd van zijn machtigen
   doorstoken

toen zij aanstormden om mij te verstrooien,-
en jubelden
alsof zij in het verborgene
   een ellendige mochten opeten.

15


Gij hebt met uw paarden de zee betreden,-

het schuim van vele wateren!

16


Toen ik het hoorde beefde mijn buik,

bij dat geluid klapperden mijn lippen,
kwam vermolming mijn beenderen binnen,
   en beefde ik op mijn plek,-

hoewel ik rustig zal wachten
   op de dag van benauwing,

als hij zal optrekken
   tegen de manschap van
   wie ons belagen.

17


Al zal de vijgenboom niet bloeien

en komt aan de wijnstokken geen gewas,
is wat de olijf ervan maakt mislukt
en heeft het veld niets te eten gemaakt,-
is het wolvee afgesneden van de kooi
en staat er geen rund meer in de stallen,

18


toch zal ik juichen om de Ene,-

jubelen om de God die mij redt!

19

De Ene, mijn Heer, is mijn vermogen,
hij maakt mijn voeten
   als die van de goddelijke hinden

en laat mij mijn hoogten betreden!
Voor de koorleider, bij snarenspel.