Instellingen

1


Psalm 40 (39) • Expectans expectavi. (Voor de koorleider,

v. David, een musiceerstuk.)

2


Vol hoop hoopte ik op de Ene, ✡

hij boog zich naar mij toe,
hij hoorde mijn geroep om hulp.

3


Hij haalt mij omhoog uit een ruisende kuil,
   uit modder en uit slijk,
   hij doet staan mijn voeten
   op een steenrots, ✡

mijn schreden maakt hij vast.

4


Hij geeft mij in de mond een nieuw gezang,
   een lofzang voor onze God;
   dat zien velen, vol ontzag; ✡

zij weten zich veilig
bij de Ene.

5


Zalig de kerel

die gesteld heeft als zijn veiligheid:
   de Ene; ✡

tot woelgeesten zich niet heeft gewend,
en wie zijn afgeweken in bedrog!

6


Overvloedig hebt gij gemaakt
   Ene, mijn God,
   uw wonderen en uw plannen, ✡

bij ons is niets bij u te vergelijken!-

wil ik ze melden, wil ik verwoorden, ✡
te machtig zijn ze
om te verhalen!

7


Offerdier en broodgift
   hebt ge niet verlangd,

maar u groef gangen naar mijn oren; ✡
opgangsgave en ontzondiging,
dat hebt ge niet gewenst.

8


Toen kon ik zeggen: ‘zie, ik ben gekomen; ✡

in de rol, het boek,
staat over mij geschreven.’

9


God, uw welbehagen doen
   is mijn verlangen: ✡

in mijn ingewanden
heb ik uw Wet.

10


Ik boodschapte gerechtigheid
   in een vergadering van velen;

zie, mijn lippen weerhield ik niet, ✡
Ene,
gij zijt het die dat weet!

11


Uw gerechtigheid verborg ik niet
   in mijn hart;

uw trouw en uw reddende werk
   zegde ik uit: ✡

niet heb ik verheeld
   uw vriendschap en uw trouw

voor een vergadering van velen.

12


Gij Ene,

houd toch niet uw ontferming
   bij mij vandaan; ✡

mogen uw vriendschap en uw trouw
voortdurend mij behoeden!

13


Want kwaad en rampen kregen op mij vat

tot ze niet meer waren te tellen,
mijn ongerechtigheden haalden mij in,
   ik was niet bij machte ze te zien: ✡

menigvuldiger dan de haren op mijn hoofd,
en mijn hart heeft mij verlaten.

14


Het behage u, Ene, mij te ontrukken, ✡

o Ene,
haast u mij ter hulpe!

15


Dat worden beschaamd
   en ontgoocheld ineen

de zoekers van mijn ziel:
om haar te vernielen; dat terugdeinzen,
   gehuld in schande, ✡

die verlangen
naar mijn kwaad!

16


Dat verstarren vanwege hun schaamte ✡

die over mij zeggen:
‘ha-ha!’

17


Dat vrolijk zijn en zich verheugen in u

allen die u zoeken,
   dat zij voortdurend zeggen:
   ‘groot is de Ene’, ✡

de minnaars
van uw reddende werk!

18


Zelf ben ik gebogen en arm,
   maar mijn Heer beraamt voor mij een plan,-
   die mij helpt en doet ontkomen, zijt gij; ✡

mijn God,
aarzel niet!