Instellingen

1


Psalm 53 (52) • Dixit insipiens. (Voor de koorleider, op ‘Ziek-zijn’,

een onderwijzing v. David.)

2


Dwaas geworden zei er een

met heel zijn hart:
   ‘geen God is ons gebleven!- ✡

ze stichten verderf,
begaan gruwelijk onheil,-
geen is er die goed doet!’

3


God

keek uit de hemelen neer
   over de zonen van Adam,
   om te zien of er een was met inzicht, ✡

een die zoekende was
naar God.

4


Maar alles was afgeweken,
   eendrachtig bedorven,
   geen die goed deed, ✡

niet een meer,
zelfs niet een.

5


Wisten zij van niets,
   die aanstichters van onheil,
   uitvreters van mijn gemeente,
   die zij vraten als brood?- ✡

God
riepen zij niet aan!

6


Daar had je ze,-
   geschrokken: een en al schrik,
   terwijl er niets te schrikken was, want God

had verstrooid
   de beenderen van je belager,- ✡

je kon ze beschamen
omdat God ze had verworpen!

7


Wie geeft uit Sion Israël redding?-
   God, als hij een keer brengt
   in de kerkering van zijn gemeente! ✡

dan zal Jakob juichen
en Israël zich verheugen!