Instellingen

1


Ook dit zijn gelijkenisspreuken

van Salomo,-
die de mannen van Juda’s koning Chizkia
naar voren hebben gebracht.

2


Het is Gods glorie
   om een woord verborgen te houden,-

het is de glorie van koningen
om een woord te doorgronden.

3


Hoe verheven de hemelen zijn,
   hoe diep de aarde is,-

en het hart van koningen,
het is niet te doorgronden.

4


Doe schuimslakken weg van zilver,-

en er komt voor de smelter een voorwerp
   tevoorschijn;

5


doe een boosdoener weg
   van het aanschijn van een koning,-

en zijn troon staat vast in de gerechtigheid.

6


Sier jezelf niet op
   voor het aanschijn van een koning,-

en ga niet staan op de plek van groten;

7


want beter dat men tot je zegt:

‘kom hogerop, hierheen!’,
   dan dat men je
   voor het aanschijn van een edele
   vernedert.

Wat je ogen hebben gezien,

8


breng dat niet haastig naar buiten
   in een geding;

anders, wat moet je uiteindelijk doen,-
   wanneer je naaste jou te schande maakt?

9


Beslecht je geding met je naaste,-

maar onthul een geheim
   van een ander niet;

10


anders zal wie het hoort jou beschimpen,-

en is praat over jou
niet meer te keren.

11


Als appels van goud op schalen van zilver,-

is een woord
gesproken op juiste momenten;

12


een ring van goud
   en een hanger van brokaat,-

is een bestraffing door een wijze
in een oor dat hoort.

13


Als verkoelende sneeuw
   op een dag in de oogsttijd

is een betrouwbaar gezant
   voor wie hem zenden,-

hij brengt de ziel in zijn heren terug.

14


Nevels en wind en toch geen stortbui,-

is iemand die zichzelf roemt
om een gift die niet echt blijkt.

15


Met lankmoedigheid is een aanvoerder
   te verleiden,-

een zachte tong
kan knoken breken.

16


Vind je honing, eet wat genoeg voor je is,-

anders raak je oververzadigd
   en braak je hem uit;

17


laat je voet in het huis van je naaste
   een zeldzaamheid zijn,-

anders raakt hij oververzadigd van jou
en gaat hij je haten.

18


Strijdhamer, zwaard en getande pijl,-

is iemand die tegen zijn naaste
een vals getuigenis spreekt;

19


een kwalijke tand en een zwikkende voet,-

is toevlucht zoeken bij een verrader
ten dage van benauwing.

20


Een verraderlijk dun gewaad
   op een koude dag,

als azijnzuur op hoofdzeer,-
is wie zijn zangen zingt
bij een kwaadgestemd hart.

21


Als je hater hongert,
   geef hem je brood te eten,-

als hij dorst heeft
geef hem je water te drinken;

22


want zo stapel jij vurige kolen

op zijn hoofd,-
en de Ene
zal het je vergelden.

23


Een noordenwind
   baart onder weeën een stortbui,-

een tong in het verborgene
een woedend gelaat.

24


Beter is het

te zitten op een hoek van een dak,-
dan met een twistzieke vrouw
in een gemeenschappelijk huis.

25


Koel water over een vermoeide ziel,-

is het horen van goed gerucht
uit een ver land.

26


Een troebele wel en een bedorven waterader,-

is een rechtvaardige
die wankelt
   voor het aanschijn van een boosdoener.

27


Te veel honing eten is niet goed,-

en het doorgronden van zware dingen
   is zwaar.

28


Als een opengebroken stad zonder muur,

is een man
zonder rem op zijn geest.