Instellingen

1


Zoals sneeuw in de zomer

en als regen tijdens de oogst,-
zo is glorie voor een domkop niet fraai.

2


Als een mus die wegfladdert,
   als een zwaluw die vliegt,-

zo is een vloek om niets:
die komt niet aan.

3


Een zweep voor het paard,
   een toom voor de ezel,-

en een stok
over de rug van domkoppen.

4


Antwoord een domkop
   niet naar zijn dwaasheid,-

anders ga jij, jijzelf, nog op hem lijken;

5


maar antwoord een domkop
   wel met zijn dwaasheid,-

anders wordt hij in zijn eigen ogen
   een wijze.

6


Hij hakt zich beide voeten af,
   drinkt geweld in,-

die woorden rondzendt
   door de hand van een domkop.

7


De dijen van een lamme bungelen maar wat,-

zo een gelijkenisspreuk
in de mond van domkoppen.

8


Als wie een steen vastbindt aan een slinger,-

zo is wie glorie geeft aan een domkop.

9


Een doorn binnengedrongen
   in de hand van een dronkaard,-

zo is een gelijkenisspreuk
in de mond van domkoppen.

10


Een schutter die iedereen verwondt,-

is wie een domkop huurt
of de meest dronken voorbijganger.

11


Als een hond
   die terugkeert naar zijn braaksel,-

is een domkop
die een dwaasheid van hem herhaalt.

12


Heb je iemand gezien

die wijs is in eigen ogen?-
voor een domkop is er meer hoop
   dan voor hem.

13


Een luiaard zal zeggen:
   een luipaard op de weg!-

er loopt een leeuw
tussen de pleinen!

14


De deur draait op haar scharnier,-

een luiaard
op zijn bed.

15


Heeft een luiaard zijn hand verborgen
   in de schotel,-

hij is nog te moe
om haar terug te brengen naar zijn mond.

16


Een luiaard is in zijn eigen ogen wijzer,-

dan zeven mensen
die verstandig weerwoord geven.

17


Als wie een hond bij zijn oren vastgrijpt,-

is een voorbijganger die zich bemoeit
met een geding dat het zijne niet is.

18


Als een dolleman die fakkels afschiet,

pijlen en dood,

19


zó is iemand die zijn naaste bedriegt,-

en zeggen zal:
‘ben ik niet grappig?’

20


Als de houtblokken op zijn,
   dooft het vuur,-

en waar geen stokebrand is
luwt de twist.

21


Als een blaasbalg voor gloeiende kolen
   en houtblokken voor een vuur,-

zo is een twistziek man er goed in
om een geding te laten opvlammen.

22


De woorden van een stokebrand
   zijn als lekkere hapjes,-

maar díe
dalen af
   naar de binnenkamers van een buik…

23


Als zilver vol slakken
   waarmee gres is overtrokken,-

zijn brandende lippen
   en een kwaadaardig hart.

24


Met zijn lippen huichelt iemand die haat,-

in zijn binnenste
stelt hij bedrog op;

25


wanneer zijn stem smeekt om genade,
   vertrouw hem niet,-

want hij heeft zeven gruwelen in zijn hart.

26


Iemands haat tracht zich te verhullen
   door misleiding,-

maar zijn kwaadaardigheid
   wordt openbaar in een vergadering.

27


Wie een grafkuil graaft valt er zelf in,-

wie een steen wentelt,
   naar hem keert die terug.

28


Een tong vol leugen háát
   wie hij gaat vermorzelen,-

een gladde mond
   doet zijn best voor een duw.