Instellingen

1


Beroem je niet over de dag van morgen,-

want je weet niet wat een dag kan baren.

2


Laat een vreemdeling jou roemen,
   niet je eigen mond,-

een buitenlander,
niet je eigen lippen.

3


De zwaarte van gesteente
   en het gewicht van zand,-

ergernis over een dwaas
is zwaarder dan die twee.

4


Meedogenloos is gramschap
   en alles-overspoelend
   is woede,-

maar wie houdt stand
voor het aanschijn van naijver?

5


Beter een bestraffing in het openbaar,-

dan liefde die verborgen blijft;

6


betrouwbaar zijn verwondingen
   door wie jou liefheeft,-

als scheermessen
de kussen van een hater.

7


Een ziel die verzadigd is
   vertrapt honingzeem,-

voor een ziel die hongert
is elk bitter zoet.

8


Als een tsjilper die wegfladdert uit een nest,-

zo is een man
die wegfladdert van zijn plek.

9


Zalfolie en wierook,
   dat verheugt een hart,-

de zoetheid van zijn metgezel
brengt een ziel tot stilstand.

10


Je metgezel en de metgezel van je vader,

verlaat die nooit,
en het huis van je broer,
kom daar niet binnen
   op je ongeluksdag,-

beter een buurman dichtbij
dan een broer ver weg.

11


Word wijs, mijn zoon, en verheug mijn hart,-

dan breng ik wie mij smaadt
   een woordje terug.

12


Een schrander iemand zal kwaad zien
   en zich verbergen,-

simpele zielen
lopen ernaartoe en moeten boeten.

13


‘Neem zijn gewaad af,
   want hij stond borg voor een vreemde,-

ter wille van een uitheemse: verpand het!’

14


Wie ’s morgens in de vroegte
   zijn metgezel met te grote stem zegent,-

als een vervloeking
wordt dat hem toegerekend.

15


Een doordruppelend daklek
   op een dag met plasregen,-

een twistzieke vrouw
evenaart dat.

16


Wie haar opsluit, sluit wind op,-

olie is het wat zijn rechterhand aantreft.

17


IJzer scherpt men met ijzer,-

een man
scherpt het aanschijn van zijn metgezel.

18


Wie een vijgenboom behoedt,
   zal de vrucht ervan eten,-

wie waakt over zijn heer, zal worden geëerd.

19


Zoals in het water het ene aanschijn
   lijkt op het andere aanschijn,-

zo is het hart van de ene mens
voor de andere mens.

20


Schimmenrijk en verderf zijn niet te verzadigen,-

de ogen van de mens
zijn evenmin te verzadigen.

21


Als met een smeltkroes voor zilver
   en een oven voor goud,-

is het met een man
in de mond van wie hem prijst.

22


Al stamp je de dwaas fijn in de stamper,-

tussen de graankorrels met een vijzel,-
nooit wil van hem wijken
zijn dwaasheid.

23


Ken met kennis het aanschijn van je wolvee,-

zet je hart op de kudden;

24


want niet voor eeuwig is zo’n rijkdom,-

het is niet een kroon
voor generatie na generatie.

25


Heeft het gras zich onthuld
   en vers groen zich laten zien,-

zijn verzameld
de kruiden die op bergen groeien,

26


dan heb je lammeren om je mee te kleden,-

en als koopprijs voor een veld
bokken,

27


en is er geitenmelk genoeg

voor het dagelijks brood
   en jouw brood van je huis,-

en leeftocht
voor je dienstmeisjes.