Instellingen

1


Mijn zoon,

mijn onderricht moet je niet vergeten,-
laat je hart
mijn geboden bewaren!

2


Want lengte van dagen, jaren van leven,-

en vrede
zullen ze jou toevoegen.

3


Laten vroomheid en trouw

je niet verlaten, knoop ze om je hals;
schrijf ze
op de plaat van je hart,

4


en vind genade en goed inzicht,-

in de ogen van God en mens!

5


Wees veilig bij de Ene met heel je hart,-

steun niet
op je eigen verstand;

6


ken hem op al je wegen,-

en hij
zal je paden recht maken;

7


wees niet wijs in je eigen ogen,-

vrees de Ene
en wijk van het kwade;

8


dat wordt een geneesmiddel voor je vlees,-

een lavende drank
voor je beenderen;

9


vereer de Ene met je goed,-

en met het eerste
van al je inkomsten;

10


dan raken je schuren vol van verzadiging,-

van most
zullen je perskuipen breken!

11


Versmaad een vermaning van de Ene niet,
   mijn zoon,-

wees niet verdrietig
over een kastijding door hem;

12


want wie de Ene liefheeft kastijdt hij,-

zoals een vader
een zoon die hem behaagt.

13


Zalig een mens die wijsheid heeft gevonden,-

een mens
aan wie goed-verstaan ten deel valt;

14


want handel daarin
   is beter dan handel in zilver,-

boven karaatgoud gaat inkomen dááruit;

15


kostbaarder is zij dan koralen,-

alle dingen die je kunt begeren
zijn met haar niet te vergelijken;

16


lengte van de dagen
   heeft zij in haar rechterhand,-

in haar linker is
rijkdom en glorie;

17


haar wegen zijn aangename wegen,-

al haar paden zijn vrede;

18


een boom des levens is zij
   voor wie zich vasthouden aan haar,-

wie haar grijpen zijn zalig te prijzen!

19


De Ene zelf

heeft met wijsheid een aarde gegrondvest,-
hemelen gevestigd
met goed-verstaan;

20


door zijn kennis zijn oervloeden gekliefd,-

en druppelen
pluiswolken dauw uit;

21


mijn zoon, laat ze niet wijken uit je ogen:

bewáár beleid
en bezonkenheid,

22


laat ze worden: leven voor je ziel,-

en een genade
voor je hals!-

23


dán zul je je weg veilig gaan,-

en zul je je voet
niet stoten;

24


als je neerligt hoef je niet op te schrikken,-

neerliggen zul je
en je slaap zal zoet zijn;

25


vrees niet voor een plotselinge verschrikking,-

voor een ramp door boosdoeners,
wanneer die komt;

26


want de Ene zal er zijn
   in je blinde vertrouwen,-

bewaken zal hij je voet voor verstrikking;

27


houd een goed niet weg van zijn bezitters,-

als het in de macht van je handen is
   om het te doen;

28


zeg nooit tot je naasten:
   ga heen en keer terug,
   morgen zal ik het je geven!,

terwijl het bij jou is;

29


beraam tegen je naaste geen kwaad,-
   terwijl hij neerzit en zich veilig voelt bij jou;

30


ga geen geding aan met een mens
   zonder reden,-

als hij jou geen kwaad heeft gedaan;