Instellingen

1


Dan antwoordt Job

en zegt:

2


tot hoelang zult ge mijn ziel bedroeven,-

en mij verbrijzelen met gebabbel?

3


Nu reeds tien keer hebt ge mij beschimpt,-

ge schaamt u niet
maar ge mishandelt mij.

4


Zelfs als ik werkelijk gedwaald heb,-

bij míj
zal dan mijn dwaling overnachten.

5


Als ge werkelijk groot wilt doen tegen mij,-

en tegen mij wilt bepleiten
mijn schande,

6


weet dan dat God zelf mij gekromd heeft,-

en met zijn net
mij heeft omsingeld!

7


Zie, ik schreeuw ‘moord!’
   maar krijg geen antwoord,-

ik roep om hulp
maar er is geen recht.

8


Mijn pad heeft hij versperd,
   ik kan niet verder,-

over mijn banen
heeft hij duisternis gelegd.

9


Mijn glorie heeft hij van mij afgestroopt,-

weggehaald
de kroon van mijn hoofd.

10


Hij sloopt mij rondom: daar ga ik!-

heeft als een boom uitgerukt
mijn hoop.

11


Hij heeft tegen mij
   zijn toorn doen ontbranden,-

en beschouwt mij als een benauwer van hem.

12


Eensgezind zijn zijn bendes aan komen zetten

en plaveien tegen mij hun weg,-
ze legeren zich rondom mijn tent.

13


Mijn broeders
   heeft hij ver weg van mij gezet,-

mijn bekenden,
ach, die zijn van mij vervreemd.

14


Opgehouden te komen
   zijn die mij het naast waren,-

en die ik kende, zij zijn mij vergeten.

15


De gasten van mijn huis
   en mijn dienstmaagden
   beschouwen mij als een vreemdeling,-

een barbaar
ben ik geworden in hun ogen.

16


Tot mijn dienaar riep ik
   en hij antwoordde niet,-

met eigen mond
moest ik hem smeken om genade!

17


Mijn reuk
   is mijn vrouw vreemd geworden,-

ik ben een stinkerd
voor de zonen van mijn schoot!

18


Zelfs kwajongens verachten mij,-

kom ik in opstand dan spreken zij mij tegen.

19


Van mij gruwen de lieden van mijn kring,-

die ik liefhad
hebben zich tegen mij gekeerd.

20


Mijn vlees is vel over been,-

op mijn tandvel ben ik ontsnapt.

21


Gun me genade, genade, jullie,
   mijn metgezellen!-

want de hand van God
heeft mij getroffen!

22


Waarom vervolgt ge mij als een godheid,-

wordt ge van mijn vlees
niet verzadigd?

23


Wie geeft ooit
   dat mijn beweringen worden beschreven,-

wie geeft
   dat ze worden vastgelegd in een boekrol?,

24


met een stift van ijzer en lood,-

voor altijd
worden uitgehouwen in de rots!

25


Ík weet: mijn losser leeft,-

ten laatste zal hij
opstaan over het stof;

26


ook nadat mijn huid aldus is geschonden:

ook beroofd van mijn vlees
zal ik God aanschouwen!,

27


die ík mij zal aanschouwen,

míjn ogen zullen hem zien
   en niet een vreemde,-

als mijn nieren zijn vernietigd in mijn schoot!

28


Wanneer gij zegt:
   hoe zullen wij hem achtervolgen?!-

en dat de oorzaak van de zaak
is te vinden bij mij,

29


weest dan beducht
   voor het aanschijn van het zwaard,

want gramschap
   wacht de ongerechtigheden te zwaard!,

opdat ge zult weten dat er wordt geoordeeld!
••