Instellingen

1


Ja, daarbij siddert mijn hart,-

en springt het op van zijn plaats.

2


Hoort, wilt horen
   naar het bulderen van zijn stem,-

en het gerommel
dat van zijn mond uitgaat!

3


Onder alle hemelen laat hij dat los,

zijn weerlicht
tot over de zomen der aarde.

4


Erachteraan dreunt de stem,

dondert het met de stem van zijn hoogheid,-
hij houdt hen niet in,
want zijn stem wil worden gehoord.

5


Met de donder van zijn stem
   bewerkt God wonderen,-

die grote dingen doet
en wij weten van niets.

6


Want tot de sneeuw zegt hij:

val op aarde!, en tot de plensbui: regen!-
en dan is er een plensbui
vanuit de regens van zijn sterkte:

7


de hand van iedere mens verzegelt hij,-

opdat elke sterveling
weet heeft van zijn doen;

8


dan komt het wildleven in zijn hinderlaag,-

in zijn holen zoekt het woning.

9


Uit de binnenkamer komt een windhoos,-

uit zijn voorraadschuren vrieskou.

10


Uit de adem van God geeft hij ijs,-

het wijde water wordt als gegoten.

11


Ja met vocht bezwaart hij het zwerk,-

verstrooit
de wolk van zijn licht.

12


En dat trekt her- en derwaarts,
   wendt zich naar zijn besturing,
   om te bewerken:

al wat hij het gebiedt
op het aanschijn van de wereld, de aarde,

13


óf als straffende staf voor zijn aarde,-

óf als blijk van vriendschap
laat hij het vinden.

14


Neem dit ter ore, Job,-

sta stil
en tracht te verstaan de wonderen van God.

15


Weet jij hoe God over hen beschikt,-

en laat schijnen
het licht van zijn wolk?

16


Weet jíj over het zweven van het zwerk,-

van de wonderen
van hem die volmaakt is in weten?

17


Jij wiens gewaden te warm zijn,-

wanneer de aarde rust moet houden
vanwege de zuiderhitte!

18


Maak jij met hem samen
   van wolken een gewelf,-

tot ze strak zijn
als een gegoten spiegel?

19


Laat ons weten
   wat we tot hem moeten zeggen,-

wij kunnen niets aanvoeren
gezien de duisternis.

20


Wordt het hem verteld wanneer ik zo spreek,-

als iemand iets zal zeggen,
wordt hij dan verslonden?

21


Welnu, ze zagen geen licht meer,

het scheen achter de wolken,-
de wind is voorbijgekomen
en heeft ze weggeveegd.

22


Uit het noorden genaakt goudglans,-

vanwege God,
vreeswekkend van pracht:

23


de Overmachtige, wij zullen hem niet bereiken,
   te groot van kracht,-

en recht, overvloedig in gerechtigheid,
die hij niet buigt.

24


Daarom hebben de stervelingen
   ontzag voor hem,-

die alle wijzen van hart
niet aanziet!