Instellingen

31


Deze zijn het die besmettend zijn voor u
   onder alle gewriemel;

al wie ze aanraakt als ze dood zijn
   is besmet tot de avond.

32


Alles waarop iets van hen valt
   als ze dood zijn
   wordt besmet,

elk voorwerp van hout of een gewaad,
   of een vel of een zak,-

elk voorwerp
waarmee bij u werk gedaan wordt:
in het water moet het komen
   en besmet zal het zijn tot de avond,
   daarna zal het rein zijn.

33


En elk voorwerp van gres

waarin iets van hen naar binnen valt:
al wat daarin is wordt besmet,
   en het voorwerp zelf zult ge stukbreken.

34


Wát ook van alle etenswaar
   die wordt gegeten

en waarover water komt, wordt besmet;
en elke drinkbare drank
in zo’n voorwerp, wélk ook, wordt besmet.

35


En alles waarop iets van hun lijk valt

wordt besmet:
een oven of fornuis moet afgebroken worden,
   besmet zijn zij;

en besmet zullen ze wezen voor u.

36


Alleen een wel of een put,
   een samenstroming van water,
   zal rein wezen;

maar wie hun lijk daarin aanraakt
   wordt besmet.

37


En stel er valt iets van hun lijk

op welk zaad dan ook van een zaaisel
   dat wordt uitgezaaid:

rein is dat!

38


Maar stel er wordt over zaad water gegeven

en er is dan iets van hun lijk daarop gevallen:
besmet is dat voor u!
••

39


En stel er gaat iets dood van het vee

dat gewoonlijk voor u als eten dient:
wie het lijk daarvan aanraakt
   is besmet tot de avond.

40


Wie eet van een lijk daarvan

moet zijn gewaden wassen en
   zal besmet zijn tot de avond;

en wie een lijk daarvan optilt
moet zijn gewaden wassen
   en zal besmet zijn tot de avond.