Instellingen

1


Dan spreekt de Ene tot Mozes en zegt:

2


spreek

tot de zonen Israëls en zeg:
wanneer een vrouw zaad draagt
en een mannelijk kind gebaard zal hebben,
is ze zeven dagen lang besmet;
als bij de dagen van afzondering
   wanneer ze ongesteld is

wordt ze een besmette.

3


Op de achtste dag

wordt het vlees van zijn voorhuid besneden.

4


Dertigmaal een dag en

nog een drietal dagen blijft ze thuis,
   omdat er bloed vloeit dat haar reinigt;

al wat heilig is mag ze niet aanraken
en in het heiligdom mag ze niet komen,
totdat vervuld zijn de dagen
   van haar reiniging.

5


Als ze een méisje baart

is ze tweemaal zeven dagen besmet,
   als in haar afzondering;

zestigmaal een dag en nog een zestal dagen
blijft ze thuis,
   omdat er bloed vloeit dat haar reinigt.

6


Nadat de dagen van haar reiniging
   vervuld zijn

voor een zoon
of voor een dochter,
brengt ze
een schaap in zijn eerste jaar
   als opgangsgave

en een duivenzoon of -dochter
   als ontzondigingsgave

naar de opening van de tent
   van samenkomst,
   naar de priester.

7


Doen naderen zal hij dat

tot het aanschijn van de Ene
   en verzoening over haar vragen;

gereinigd is ze dan van de bron
   waaruit zij bloedde:

dit is het onderricht voor haar die baart,
voor een mannelijk kind of voor een meisje.

8


En als haar hand niet toekomt aan

genoeg voor een lam,
nemen zal ze dan twee tortels
of twee duivenzonen,
één als opgangsgave
   en één als ontzondigingsgave;

verzoening zal de priester over haar vragen
   en rein zal ze zijn.