Instellingen

1


Dan spreekt de Ene tot Mozes en zegt:

2


spreek

tot heel de samenkomst
   van de zonen en dochters van Israël
   en zeg tot hen: heilig zult ge wezen;

want heilig
ben ik, de Ene, God-over-u!

3


Alleman zult ge moeder en vader vrezen,

en mijn sabbatdagen houden;
ik, de Ene, ben uw God!

4


Wendt u niet tot de afgoden,-

goden van gietwerk
zult ge u niet maken;
ik, de Ene, ben uw God!

5


Wanneer ge een vredesoffer offert aan
   de Ene,

offert het dan zo dat ge welgevallen vindt!

6


Op de dag dat ge het offert
   mag het worden gegeten
   en de volgende morgen ook nog;

wat overblijft tot de derde dag
moet in het vuur worden verbrand.

7


En als het bij het eten toch
   op de derde dag wordt gegeten:

iets van bederf is het dan,
   het zal niet welbehaaglijk zijn.

8


Wie ervan eet zal zijn onrecht drágen,

want het heiligdom van de Ene
   heeft hij ontwijd;

die ziel zal worden afgesneden
   van haar medemensen.

9


Wanneer ge de maaioogst
   van uw land afmaait

zul je niet zover gaan
   dat je de hoek van je veld ook maait;

en de nalezing van je maaisel
   zul je niet oplezen.

10


Je wijngaard zul je niet helemaal kaalplukken

en wat in je wijngaard op de grond valt
   zul je niet bijeenlezen;

aan de gebogene en de zwerver
   zul je dat overlaten,-

ik, de Ene, ben uw God!

11


Gij zult niet stelen;

ge zult niet bedriegen en niet liegen
   tussen man en medemens.

12


Ge zult niet zweren bij mijn naam
   voor wat gelogen is;

ontwijden zul je daarmee
   de naam van je God,
   van mij, de Ene!

13


Je zult je naaste niet verdrukken
   en niet beroven;

laat niet het loon
van de daggelder bij je overnachten
   tot ’s morgens.

14


Je zult een dóve niet vervloeken,

en voor het aanschijn van een blinde
zult ge geen struikelblok neerleggen;
je zult ontzag hebben voor je God,
   ik, de Ene.

15


Je zult niet aan draaierij doen
   bij de rechtspraak,-

het aanschijn van een geringe niet opvijzelen
en het aanschijn van een grote
   niet mooi aankleden;

met gerechtigheid zul je je maat richten.

16


Je zult niet al stokend
   bij je medemensen rondgaan;

je zult niet staan
   op het bloed van je naaste;

ik, de Ene

17


Je zult je broeder niet in je hart haten;

nee, wijs je maat
   met een terechtwijzing terecht,

dan zul je geen zonde op hem laden.

18


Wreek je niet en koester geen wrok

tegen de kinderen van je gemeenschap,-
liefhebben zul je je naaste, zoals jezelf!-
ik, de Ene

19


Mijn inzettingen

zult ge bewaken!-
je vee laat je niet paren
   met twee soorten dooreen,

je veld zul je niet bezaaien
   met twee soorten dooreen;

en een gewaad
   van twee soorten dooreen,- namaak

zul je niet over je halen!

20


Stel, een man beslaapt een vrouw
   in een bijslaap met zaad

en zij is als slavin
   bestemd voor een andere man,

en is niet met een lossing ingelost
of een vrijbrief is haar niet gegeven:
een bestraffing moet er wezen
   maar ze worden niet ter dood gebracht,
   hoewel zij niet is vrijgelaten.

21


Doen komen zal hij
   als zijn verontschuldiging aan de Ene

bij de ingang van de tent van samenkomst:
een ram ter verontschuldiging.

22


Voor het aanschijn van de Ene
   zal de priester
   verzoening over hem vragen
   met de ram ter verontschuldiging,-

over de zonde waarmee hij heeft gezondigd;
vergeving zal hem worden geschonken
van de zonde waarmee hij heeft gezondigd.

23


En ja, ge komt aan in het land

en plant allerlei geboomte om van te eten,-
zijn ‘voorhuid’, zijn eerste vrucht,
   zult ge als voorhuid
   behandelen:

gedurende drie jaren
zullen die vruchten voor u
   ‘onbesneden’ wezen,-
   die worden niet gegeten!

24


In het vierde jaar

zal al zijn vrucht wezen
een heiligdom van lofzeggingen
   voor de Ene.

25


In het víjfde jaar

zult ge zijn vrucht éten,-
die kunt ge dan
   aan uw opbrengst toevoegen;

ik, de Ene, ben God-over-u!

26


Nooit zult ge iets eten samen met bloed;

doet niet aan slangenkijkerij
   en wolkenwichelarij!

27


Ge zult de hoekrand van uw hoofdhaar

niet afronden;
en de hoekrand van je baard
zul je niet vernietigen.

28


Ge zult uzelf geen inkerving ‘voor de ziel’

geven in uw vlees,-
inscripties en tatoeëringen
zult ge op u geen plek geven:
ik, de Ene

29


Ontwijd nooit je dochter
   door een hoer van haar te maken;

opdat het land niet verhoert
en het land vol wordt van hoererij.

30


Mijn sabbatten zult ge bewaken

en wat mij heilig is zult ge vrezen;
ik, de Ene