Instellingen

1


Maakt u géén namaakgoden;

een gehouwen beeld of een wij-zuil
   zult ge u niet doen verrijzen,

en een stenen vloer met beeldhouwwerk
zult ge geen plaats geven in uw land
om u daarop neer te buigen;
want ik, de Ene, ben uw God!

2


Mijn sabbatten zult ge bewaken

en mijn heiligdom zult ge eerbiedigen:
ik, de Ene!
••

3


Als ge in mijn inzettingen wandelt,

en mijn geboden bewaakt
en ze doén zult,

4


dan zal ik geven: regens op hun tijd

en zal het land geven: zijn gewas
en geeft het geboomte van het veld
   zijn vrucht.

5


Dan bereikt voor u de dorstijd
   de druivenpluk

en de druivenpluk reikt tot het zaaien;
uw brood zult ge eten tot verzadiging
en wonen zult ge in uw land in veiligheid.

6


Geven zal ik: vrede op aarde* Of: in het land.,-

gaan liggen zult ge
   en niemand die u opschrikt;

boos gedierte zal ik doen ophouden
uit het land
en geen zwaard doorkruist meer uw land.

7


Achtervolgen zult ge uw vijanden;

die vallen dan voor uw aanschijn neer
   voor het zwaard.

8


Achtervolgen zullen vijf van u
   een honderdtal

en honderd van u zullen
   een menigte achtervolgen;

vallen zullen uw vijanden voor uw aanschijn
   voor het zwaard.

9


Ik zal mij tot u wenden

en u vruchtbaar maken
en u vermenigvuldigen;
gestand doen zal ik mijn verbond met u.

10


Eten zult ge de oude oogst
   van het oude jaar,

en de oude
naar buiten moeten doen
   vanwege de verschijning van de nieuwe!

11


Mijn woning geef ik plaats onder u:

mijn ziel walgt niet meer van u!

12


Omwandelen zal ik onder u

en er voor u wezen als God;
en gij zult er voor mij zijn als gemeente.

13


Ik, de Ene,

ben uw God, die u heb uitgeleid
   uit het land van Egypte

om geen dienaars meer van hén te wezen;
ik breek de stangen van uw juk
en doe u rechtop gaan.

14


Maar als ge niet naar mij hoort,

en al deze geboden
níet doet,-

15


als ge tegen mijn inzettingen
   weerzin koestert

en als uw ziel van mijn rechtspraak walgt,-
zodat ge al mijn geboden níet doet,
zodat ge het verbond met mij breekt,

16


dan zal ik op mijn beurt

dit doen aan u:
bezoeking zal ik over u doen
   met verschrikkelijke dingen:
   de tering en de koorts,

die de ogen doven
   en de ziel doen wegkwijnen;

vergeefs zult ge uw zaad zaaien:
uw vijanden zullen het eten!

17


Ik zal mijn aanschijn tegen u
   de ruimte geven,

verslagen wordt ge voor het aanschijn
   van uw vijanden;

uw haters zullen over u lopen,-
vluchten zult ge
   terwijl niemand u achtervolgt.

18


En als ge bij dát alles

nog niet naar mij hoort,
dan zal ik doorgaan u te tuchtigen
   om uw zonden,-

met het zevenvoudige.

19


Breken zal ik de trots van uw macht;

geven zal ik u een hemel als van ijzer
en een aarde als van koper.

20


Vergeefs raakt uw kracht uitgeput:

uw land geeft niet zijn gewas,
en het geboomte van het land
geeft niet zijn vrucht.

21


Als ge met mij voortwandelt tegen mij in

en niet willens zijt naar mij te horen,
zal ik u zevenmaal harder slaan,
overeenkomstig uw zonden.

22


Loslaten zal ik op u het wild des velds en
   kinderloos zal dat u maken,

uw vee verscheuren en
u tot een klein hoopje maken;
doodstil liggen daar uw wegen.

23


En als ge door dat alles

u niet door mij laat tuchtigen,
en met mij voortwandelt tegen mij in,

24


dan zal ik op mijn beurt
   met u tegen u ingaan;

slaan zal ik u, ja ik, om uw zonden
met het zevenvoudige.

25


Doen komen zal ik over u een zwaard der wrake
   dat het verbond wreekt;

verzamelen zult ge u in uw steden;
loslaten zal ik dan onder u de pest,
zodat ge wordt overgeleverd
   in de hand des vijands.

26


Wanneer ik bij u

de staf die brood is breek,
zullen tíen vrouwen
   uw brood bakken in één oven

en uw brood precies-afgewogen
   terugbrengen:

eten zult ge en niet verzadigd worden.
••

27


Als ge bij dat alles

nog niet naar mij hoort,-
en met mij wandelt tégen mij,

28


zal ik met ú voortgaan in woede tegen u
   en u tuchtigen, ik op mijn beurt,
   voor uw zonden

met het zevenvoudige.

29


Eten zult ge dan het vlees van uw zonen;

en het vlees van uw dochters zult ge eten.

30


Vernietigen zal ik

uw hoogten,
uw zonnezuilen omhakken,
uw lijken een plaats geven
bovenop de lijken van uw namaakgoden;
walgen zal mijn ziel van u!