Instellingen

1


Weerkerend, ik,

zag ik alle daden van verdrukking
die worden begaan onder de zon;
en zie, tranen bij verdrukten,
maar zij hadden geen trooster;
kracht genoeg
   in de hand van hun verdrukkers,

maar zij hadden geen trooster.

2


Ik roemde, ik, de doden

dat ze reeds gestorven waren,-
in tegenstelling tot de levenden,
omdat die nog steeds moeten leven;

3


en goed, meer dan die twee,

gaat het wie er nog niet geweest is:
omdat die nog niet heeft hoeven zien
   het kwade doen

dat onder de zon wordt gedaan.

4


Ik zag, ik, aan alle gezwoeg

en aan al dat geschikte doen
dat het enkel naijver is van iemand
   jegens zijn naaste;

ook dit is ijlheid en najagen van wind.

5


Het is de dwaas die met de armen
   over elkaar zit

en zo zijn eigen vlees opeet,-

6


groter goed is

een handvol rust,-
dan beide vuisten vol gezwoeg
   en najagen van wind.

7


Weerkerend, ik, zag ik nog een ijlheid
   onder de zon:

8


er is een eenling, zonder tweede erbij,

ook een zoon of broer heeft hij niet,-
maar er is geen einde aan al zijn zwoegen,
ook wordt zijn oog
   niet verzadigd van rijkdom;

nooit: ‘voor wie zwoeg ik eigenlijk
en ontzeg ik mijn ziel het goede?’
Ook dat is ijlheid, een kwalijke bezigheid
   is dat.

9


Goed gaat het de twee, anders dan één alleen,-

want zij krijgen goed loon voor hun zwoegen.

10


Want als zij vallen,

dan helpt de een zijn gabber opstaan;
als het echter
een eenling is die valt,
is er geen tweede om hem te helpen opstaan.

11


Zo geldt ook: als er twee bij elkaar liggen
   krijgen zij het wel warm;

maar hoe krijgt de eenling het warm?

12


Als ze de eenling overweldigen…

getweeën
   houden ze tegenover hem wel stand;

en een drievoudig snoer
wordt niet snel verbroken.

13


Goed die van geboorte arm is maar wijs,-

anders dan een koning die oud is en dwaas
en er niet meer van wil weten
   gewaarschuwd te worden.

14


Want uit het gevangenhuis
   komt hij naar buiten om koning te worden,

en juist hij die in zijn koningschap is geboren
   verarmt.

15


Ik zag alle levenden

die rondwandelen onder de zon,-
in het gezelschap
   van de tweede nieuwgeborene

die standhield in plaats van de eerste.

16


Er was geen einde aan heel het gezelschap,

aan allen voor wier aanschijn hij het was;
toch hadden de lateren geen vreugde in hem,-
ja, ook dit is ijlheid en najagen van wind.

17


Waak over je voeten

zodra je op weg gaat
   naar het huis van God,

naderen om te horen is groter goed
dan zomaar een offer te geven
   zoals de dwazen;

want die weten van niets
   en doen daardoor kwaad.