Instellingen

1


In het eerste jaar

van Darjavesj, zoon van Achasjverosj,
   uit zaad van Medië,-

die koning was geworden over
   het koninkrijk der Kasdiem,-

2


in het eerste jaar dat hij koning werd,

heb ik, Daniël,
in de boekrollen verstaan:
het geboekte aantal jaren
   waarover het spreken van de Ene
   is geschied
   aan de profeet Jeremia:

dat zeventig jaren
   zouden worden volgemaakt
   voor Jeruzalems puinhopen.

3


Ik richtte mijn aanschijn

tot de Here God
om hem in gebed en smekingen te zoeken,-
in vasten, zak en as,

4


en bad tot de Ene, mijn God, en beleed;

ik zei:
ach Here, grote en ontzaglijke God,
die het verbond en de vriendschap bewaakt
voor wie hem liefhebben
   en zijn geboden bewaren,-

5


wij hebben gezondigd, onrecht begaan,
   hebben het boze gedaan
   en zijn weerspannig geweest;

we zijn afgeweken van uw geboden
   en van uw rechtsregels;

6


wij hebben niet gehoord naar uw dienaren
   de profeten,

toen zij in uw naam spraken
tot onze koningen,
   onze vorsten en onze vaderen,-

en tot heel de gemeenschap van het land;

7


gíj, Here, staat in uw recht,

en wíj hebben een aanschijn vol schaamte,
   zó is het heden,-

voor het manvolk van Juda,
   de ingezetenen van Jeruzalem

en heel Israël,
die nabij zijn en die verre zijn,
in alle landen
   waarheen gij hen hebt verstoten

om hun ontrouw waarmee ze u ontrouw
   zijn geweest;

8

Ene,
wij hebben een aanschijn vol schaamte,
onze koningen,
   onze vorsten en onze vaderen,-

omdat wij gezondigd hebben tegen u;

9


en bij de Here, onze God,

zijn de ontferming en de vergeving,-
hoewel wij tegen hem opstandig zijn geweest

10


en niet hebben gehoord

naar de stem van de Ene, onze God,-
om voort te gaan met zijn onderrichtingen
   die hij aan ons aanschijn gaf

door de hand van zijn dienaren de profeten;

11


allen van Israël

hebben uw onderricht overtreden
en zijn afgeweken,-
hebben naar uw stem niet gehoord;
dus werd over ons uitgestort
   de vervloeking en bezwering

die is opgeschreven
   in het onderricht van Mozes,
   de dienaar van God,

omdat wij tegen hem hebben gezondigd;

12


en hij deed zijn woorden gestand
   die hij gesproken heeft over ons

en over de rechters die ons hebben gericht,
door een zo groot kwaad
   over ons te laten komen,

als nooit is aangedaan
onder heel de hemel
maar zoals wel is aangedaan in Jeruzalem;

13


zoals het is geschreven
   in het onderricht van Mozes,

al dit kwaad, is het over ons gekomen;
wij hebben het aanschijn van de Ene,
   onze God,
   niet verzacht:

we zijn niet teruggekeerd van ons onrecht
   en hebben ons niet bezonnen op uw trouw;

14


de Ene waakte over het kwaad

en liet het over ons komen,-
want rechtvaardig
was de Ene, onze God,
in al zijn daden die hij deed
toen wij niet hoorden naar zijn stem;

15


en nu, Here onze God,

die met sterke hand
   uw gemeente uitgeleid hebt
   uit het land Egypte

en u een naam gemaakt hebt
   gelijk heden,-

wij hebben gezondigd
   en hebben het boze gedaan;

16


Here,

moge overeenkomstig uw gerechtigheden
   uw toorn en uw gramschap
   zich toch afkeren

van uw stad Jeruzalem
en van de berg van uw heiligdom!-
want door onze zonden
   en door de ongerechtigheden
   van onze vaderen

zijn Jeruzalem en uw gemeente een smaad
   voor allen die ons omringen;

17


nu dan, hoor, God-over-ons,

naar het bidden van uw dienaar
   en naar zijn smeken om genade,

en laat uw aanschijn lichten
over uw heiligdom dat verwoest is,-
om uws naams wil, Here!-

18


neig, mijn God, uw oor,

en hoor;
open uw ogen
en zie onze verwoestingen aan,
en de stad
waarover uw naam is uitgeroepen;
want niet om onze gerechtigheid
vallen wij met onze smeekbeden neer
   voor uw aanschijn,

maar om uw veelvuldige ontfermingen;

19


Here, hoor!- Here, vergeef!-

Here, merk op en handel, talm niet!-
omwille van uzelf, mijn God,
want uw naam is uitgeroepen
over uw stad en uw gemeente!

20


Terwijl ik nog spreek en bid

en belijdenis doe van mijn zonde
en de zonde van mijn gemeente Israël,
met mijn smeekbede neervallend
voor het aanschijn van de Ene, mijn God,
over de heilige berg van mijn God,-

21


terwijl ik nog spreek en bid,-

komt de man Gabriël,
die ik gezien heb in de voorschouw
   in de aanvang,

vliegensvlug aangevlogen
en raakt mij aan,
ongeveer ten tijde van de broodgift,
   ’s avonds.

22


Hij helpt mij verstaan en spreekt met mij;

hij zegt:
Daniël!,
nú ben ik uitgetrokken
om je te laten begrijpen en verstaan;

23


bij de aanvang van je smekingen
   is een woord uitgegaan,

en ik ben gekomen om het te melden,
want jij bent hooggeacht;
dus tracht te verstaan wat wordt gesproken
en versta wat wordt gezien!-

24


zeventig zevendaagsen
   zijn besloten over je gemeente
   en over je heilige stad,

om een einde te maken aan de misstap,
   de zonden te voleinden,
   het onrecht te verzoenen

en om gerechtigheid
   van eeuwen te doen komen,-

om aanschouwing en profeet te verzegelen
en om een heiligste der heiligen te zalven;

25


weet en begrijp: vanaf de uitgang
   van een woord

is het, om nog een keer Jeruzalem
   op te bouwen,

tot aan de zalving van een leidsman
een zeventigtal zevendaagsen;
in zestig en een dubbeltal
zevendaagsen
zal zij nog een keer worden herbouwd,
met plein en gracht,
in die benarde tijden;

26


en ná die tweeënzestig zevendaagsen

wordt een gezalfde weggemaaid
   zonder dat er iets tegen hem is;

de stad en het heiligdom worden verdorven
   door de manschap van een leidsman
   die komt, maar zijn einde vindt
   in de overstroming,

en tot zo’n einde is er oorlog,-
vastbesloten is het: verwoesting!-

27


één zevendaagse lang
   zal hij met velen
   een krachtig verbond hebben;

op de helft van de zevendaagse
   zal hij ophouden
   met offerdier en broodgift;

op de vleugel van gruwelen
   is hij verwoestend bezig

tot het voleindigd is,
   en wat vastbesloten is

wordt uitgestort over een verwoester!