Instellingen

1


En het geschiedt na dit alles:

zonen van Moab en zonen van Amon
   met Amonieten bij zich
   zijn op Jehosjafat afgekomen ten oorlog.

2


Er komen eraan

en melden dat aan Jehosjafat; ze zeggen:
een talrijke menigte is op u afgekomen
   vanaf de overzij zeewaarts, uit Aram;

zie, ze zijn al in Chatsetson Tamar!-
dat is Een Gedi.

3


Jehosjafat wordt bevreesd

en richt zijn aanschijn erop
   om naar de Ene te vragen;

hij roept een vasten uit over heel Juda.

4


Zij van Juda vergaderen zich

om het te zoeken bij de Ene,-
ja, uit alle steden van Juda
zijn ze aangekomen om de Ene te zoeken.

5


Als Jehosjafat

in de vergadering van Juda en Jeruzalem
   in het huis van de Ene,-

staat voor het aanschijn
   van de nieuwe voorhof,

6


zegt hij:


Ene,

God van onze vaderen, zijt gij het niet
   die God is in de hemelen,

gij het die heerst
over alle koninkrijken der volkeren?-
in uw hand is kracht en heldhaftigheid,
niemand die bij u kan bestaan!-

7


zijt gij niet onze God,

die de ingezetenen van dit land
voor het aanschijn van uw gemeente Israël
   heeft onterfd,-

en het voor eeuwig heeft gegeven
aan het zaad van Abraham,
   die u liefhad?-

8


zij zetelen daarin,-

en bouwen voor u daarin een heiligdom zeggend:

9


als ons een kwaad overkomt,

zwaard, gericht, pest of honger,
dan zullen wij gaan staan
voor het aanschijn van dit huis
   en voor uw aanschijn,

want uw naam woont in dit huis;
zullen wij vanuit onze benauwing
   schreeuwen tot u,
   dan zult gij horen en redding brengen;

10


en nu,

zie, zonen van Amon en Moab
   en het bergland van Seïr

bij wie gij het Israël
   niet gegeven hebt te komen

toen zij aankwamen uit het land Egypte,-
toen ze van hen hebben moeten wijken
   en hen niet hebben kunnen verdelgen,-

11


zie, zij

doen ons wat aan,-
en komen ons verdrijven
uit uw erfgoed,
   dat gij ons hebt laten beërven;

12


God-over-ons,
   zult gij over hen niet rechtspreken?-

want in ons is geen kracht meer
voor het aanschijn van deze talrijke menigte
   die ons overkomt;

wij
weten niet wat we moeten doen,
nee, op u zijn onze ogen gericht!

13


Allen van Juda

staan daar voor het aanschijn van de Ene,-
ook hun kroost, hun vrouwen en hun zonen.

14


Jachaziël,
   zoon van Zecharjahoe,
   zoon van Benaja zoon van Jeïël
   zoon van Matanja de Leviet,
   uit de zonen van Asaf:

op hem is de Geest van de Ene gevallen,
te midden van de vergadering.

15


Hij zegt:

merkt op, allen van Juda,
   ingezetenen van Jeruzalem

en koning Jehosjafat!-
zo heeft de Ene gezegd tot u:
gij, vreest niet en laat u niet breken
   vanwege de verschijning
   van deze talrijke menigte,

want niet tegen u is deze oorlog
   maar tegen God!-

16


daalt morgen op hen neer,

zie, zij klimmen de helling van de Tsiets op;
ge zult hen vinden
   aan het einde van het beekdal

op het aanschijn van de woestijn van Jeroeël;

17


gij hoeft daarin geen oorlog
   met hen te voeren;

stelt u op, blijft staan
   en ziet dat het reddende werk van de Ene
   met u is,
   Juda en Israël!-

vreest niet en laat u niet breken,
trekt morgen voor hun aanschijn uit,
de Ene is met u!

18


Dan knielt Jehosjafat,
   met de neusgaten ter aarde,-

allen van Juda
en de ingezetenen van Jeruzalem
zijn neergevallen voor het aanschijn
   van de Ene

om zich te onderwerpen aan de Ene.

19


De Levieten uit de zonen der Kehatieten
   en uit de zonen der Korachieten staan op,-

om de Ene, Israëls God,
met overgrote stem
te loven.

20


In de ochtend rechten zij hun schouders

en trekken uit naar de woestijn van Tekoa;
bij hun uittocht
heeft Jehosjafat daar gestaan
en gezegd: hoort mij aan,
Juda en ingezetenen van Jeruzalem!-
vertrouwt op de Ene, uw God,
   en wordt vertrouwd;

vertrouwt op zijn profeten
   en vindt voorspoed!

21


Na beraad met de manschap

zet hij zangers voor de Ene in
en lofprijzers
   voor de luister van het heiligdom;

bij de uittocht voor het aanschijn
   van de aangegorden uit

moeten zij zeggen:
‘Brengt dank aan de Ene,
want voor eeuwig is zijn vriendschap!’

22


Op het tijdstip
   dat zij dat met jubel en lofzang aanhieven

gaf de Ene belagers de ruimte
   tegen de zonen van Amon, Moab
   en het Seïr-gebergte
   toen die Juda binnenkwamen,
   en zij werden terruggestoten.

23


De zonen van Amon en Moab
   stellen zich te weer
   tegen de ingezetenen van het Seïr-gebergte

om hen met de ban te slaan en te verdelgen;
toen ze een eind hadden gemaakt
   aan de ingezetenen van Seïr

hebben ze, man tegen makker,
   elkaar ten verderve
   geholpen.

24


Als Juda is aangekomen
   bij de uitkijkpost in de woestijn,-

wenden ze zich tot de menigte;
en zie: allemaal ter aarde gevallen lijken,
   zonder ontsnapping!

25


Als Jehosjafat
   met zijn manschap aankomt

om hun roofgoed buit te maken,
vinden ze vee in overvloed,
   verworven goed, gewaden

en begerenswaardige voorwerpen;
ze rukken daar voor zich zoveel uit weg
   dat het niet meer te dragen is;

ze zijn
drie dagen bezig
   het roofgoed buit te maken,
   zo veel is dat.

26


Op de vierde dag

hebben ze zich vergaderd
   in het ‘Dal van zegening’

want daar hebben ze de Ene gezegend;
daarom
   hebben ze als naam voor dat oord
   uitgeroepen:

‘Dal van zegening’, tot op deze dag.

27


Dan keren ze terug, alle manvolk van Juda
   en Jeruzalem,
   met Jehosjafat aan hun hoofd,

om naar Jeruzalem terug te keren in vreugde,-
omdat de Ene hen heeft verheugd
   en hun vijanden niet.

28


Ze komen in Jeruzalem aan

met luiten, harpen en trompetten,-
óp naar het huis van de Ene.

29


De schrik van God valt

over alle koninkrijken van de landen,-
als zij horen
dat de Ene oorlog heeft gevoerd
met de vijanden van Israël.

30


Dan kent het koningschap
   van Jehosjafat stilte,-

zijn God schenkt hem rust rondom.