Instellingen

1


Nu ziet Bileam in

dat het goed is
in de ogen van de Ene
   om Israël te zégenen

en niet de kant op te gaan,
   zoals keer op keer,
   van slangenwichelarij;

hij richt zijn aanschijn naar de woestijn.

2


Bileam heft zijn ogen op

en ziet Israël
wonen,- in zijn stammen;
dan komt over hem de Geest van God.

3


Hij heft zijn spreuk aan en zegt:

tijding van Bileam, zoon van Beor,
tijding van de kerel met het geopende oog!-

4


tijding

van één die hoort de gezegden van God;
die de aanschouwing van de Overmachtige
   aanschouwt,-

neervallend met de ogen ontbloot:

5


hoe goed zijn je tenten, Jakob,-

jouw woningen, Israël!-

6


als beekbeddingen hebben ze zich uitgebreid,

als tuinen pal op een rivier;
als palmen, geplant door de Ene,
als ceders langs het water.

7


Er stroomt water uit zijn emmers

en zijn zaad krijgt overvloed van water;
hoger dan Agag zal zijn koning oprijzen,
zal zijn koningschap zich verheffen.

8


God is het die hem liet uittrekken uit Egypte,

hij is voor hem
   als de stootkracht van een buffel:

hij verslindt
de volkeren die hem beangstigen,
hun botten vermaalt hij
   en pijlen op hem gericht
   versplintert hij;

9


hij heeft zich gekromd,
   is gaan liggen als de leeuw,
   als een luipaard;
   wíe zal hem doen opstaan?-

die jou zegenen: gezegend!
   en die je vervloeken: vervloekt!

10


Dan ontsteekt de toorn van Balak
   tegen Bileam

en slaat hij zijn handpalmen ineen;
Balak zegt tot Bileam:
om mijn vijanden te hónen
   heb ik je geroepen,

en ziedaar, met zegening heb je gezégend,
deze drie malen!

11


Welnu, scheer je weg naar je eigen oord!-

ik heb toegezegd je met ere te vereren,
maar ziedaar,
   de Ene heeft je verre gehouden van eer!

12


Bileam zegt tot Balak:

heb ik niet
ook tot uw boden die u tot mij zond
   gesproken en gezegd:

13


‘al geeft Balak mij zijn huis vol

met zilver en goud,-
ik zal niet bij machte zijn
om de mond van de Ene te doorkruisen
door iets te doen, goed of kwaad,
   uit mijn eigen hart;

wat de Ene spreekt, dát zal ik spreken!’

14


Welnu,

hier ben ik,
   ik zal gaan naar mijn gemeenschap;

ga mee en ik zal u raad geven
wat deze gemeenschap
   aan uw gemeenschap zal doen
   in het laatste der dagen!

15


Hij heft zijn spreuk aan en zegt:

tijding van Bileam, zoon van Beor,
tijding van de kerel met het geopende oog;

16


tijding

van één die hoort de gezegden Gods,
die weet wat te weten is
   van hem-in-den-hoge;

die de aanschouwing van de Geweldige
   schouwt,

neervallend met de ogen ontbloot:

17


ik zie hem maar niet nú,

ik bespeur hem maar niet nabij:
een weg baant zich een ster uit Jakob,
opgestaan is een stamstaf uit Israël;
hij heeft de slapen van Moab versplinterd,
doorboord alle zonen van Set;

18


geworden is Edom tot erfgoed,

geworden tot erfgoed is Seïr,-
   eens zijn vijanden;

terwijl Israël kracht betoont;

19


er heerst er één uit Jakob,-

die wat ontsnapt uit de stad doet teloorgaan!

20


Dan ziet hij Amalek,-

hij heft zijn spreuk aan en zegt:
top-en-begin van volkeren is Amalek,
maar zijn nakomelingschap
   is voor immer verloren!

21


Hij ziet de Keniet,

heft zijn spreuk aan en zegt:
stevig staat je nederzetting,
gezet op de rots is je nest!-

22


toch geschiedt het dat men Kaïn verbrandt,

tot wanneer zal Asjoer je wegvoeren?

23


Dan heft hij zijn spreuk aan en zegt:

wee!,
wie zal overleven als God dát oplegt!-

24


schepen uit de hand der Kitiërs,

ze hebben Asjoer doen bukken
   en Eber doen bukken;

en ook hij gaat voor immer verloren!

25


Bileam staat op,

gaat heen en keert terug naar zijn oord;
en ook Balak is zijns weegs gegaan.