Instellingen

1


De Farizeeërs en de Sadduceeërs

komen tot hem
om hem te beproeven
en vragen hem
hun een teken uit de hemel te tonen.

2


Maar hij zegt als zijn oordeel tot hen:

als het schemerig wordt, zegt ge:
het wordt een mooie dag, want
de hemel is vuurrood!-

3


en in de vroegte: vandaag storm!,

want het vuurrood van de hemel
is somber!-
het aanschijn van de hemel
herkent ge en beoordeelt ge, en
bij de tekenen der tijden zijt gij onmachtig?-

4


een generatie boos en overspelig

verzoekt om een teken:
geen teken zal haar worden gegeven
dan het teken van Jona!
Hij laat hen alleen en gaat weg.

5


Als de leerlingen

naar de overkant komen
vergeten ze broden mee te nemen:

6


maar Jezus zegt tot hen:

ziet toe en hoedt u voor het zuurdesem
van de Farizeeërs en Sadduceeërs!

7


Maar zij hebben woorden bij zichzelf

gewogen en gezegd:
dat we geen broden hebben meegenomen!

8


Als Jezus daar kennis van krijgt zegt hij:

wat weegt ge de woorden bij uzelf
kleingelovigen!-
omdat ge geen broden hebt?-

9


begrijpt ge het nog niet?-

zijt ge niet indachtig
de vijf broden voor de vijfduizend
en hoeveel korven ge hebt opgenomen?-

10


en niet de zeven broden

voor de vierduizend
en hoeveel manden ge
hebt opgenomen?-

11


hoe kunt ge niet beseffen

dat ik dat niet over de broden tegen u zei?-
hoedt u voor het zuurdesem
van de Farizeeërs en Sadduceeërs!

12


Dán begrijpen ze dat hij niet heeft gezegd

dat men zich moet hoeden
voor zuurdesem in broden,
maar: voor het onderricht
van de Farizeeërs en Sadduceeërs.

13


Als Jezus aankomt in de delen

van Caesarea-van-Filippus
stelt hij zijn leerlingen de vraag
en zegt:
wie zeggen de mensen
dat de mensenzoon is?

14


Zij zeggen: sommigen ‘Johannes de Doper’

anderen ‘Elia’, de overigen ‘Jeremia
of één van de profeten’.

15


Hij zegt tot hen: maar gij,

wie zegt gíj dat ik ben?

16


Ten antwoord zegt Simon Petrus:

u bent de Gezalfde
de zoon van de levende God!

17


Ten antwoord zegt Jezus tot hem:

zalig ben je, Simon Barjona!,
omdat vlees of bloed jou dat niet heeft onthuld
nee, mijn Vader in de hemelen!-

18


en ík zeg jou

dat jij een Petrus,- rotsman, bent:
op deze petra,- rots,
zal ik mijn vergadering bouwen
en de poorten van het schimmenrijk
zullen haar niet te sterk zijn;

19


jou zal ik geven

de sleutels van het koninkrijk der hemelen
en wat je zult binden op de aarde
zal gebonden zijn in de hemelen
en wat je losmaakt op de aarde
zal losgemaakt zijn in de hemelen!

20


Dán

bezweert hij de leerlingen
om aan niemand te zeggen
dat híj de Gezalfde is.

21


Van dán af

begint Jezus aan zijn leerlingen te tonen
dat hij moet afgaan op Jeruzalem
en vele dingen lijden van de oudsten,
heiligdomsoversten en schriftgeleerden,
ja gedood zal worden,-
en ‘ten derden dage’ (Hos. 6,2)
zal worden opgewekt.

22


Petrus neemt hem bij zich

en begint hem ernstig te bezweren,
zeggend: zoek verzoening heer,
dát zal het voor u niet zijn!

23


Maar hij keert zich om en zegt tot Petrus:

ga wég, achter mij, satan!
je bent me een struikelblok,
omdat je niet Gods zaken in de zin hebt
maar die van de mensen!

24


Dán

zegt Jezus tot zijn leerlingen:
als iemand dat echt wil,
achter mij komen,
moet hij zichzelf verloochenen
en zijn kruis optillen,
en zó mij volgen!-

25


want wie zijn ziel wil redden

zal haar verliezen
maar wie zijn ziel verliest
vanwege mij,
die zal haar vinden!-

26


want wat zal het een mens baten

als hij de hele wereld-op-orde wint
maar zijn ziel beschadigt?-
of wat kan een mens geven
als ruilmiddel voor zijn ziel?-

27


want op het punt staat de mensenzoon

te komen in de glorie van zijn Vader,
met zijn engelen,
en dán
zal hij een ieder teruggeven
‘naar hoe hij heeft gehandeld’ (Ps. 62,13);

28

amen is het, zeg ik u,
er zijn er van wie hier staan
die geen dood zullen proeven
totdat ze de mensenzoon
zien komen in zijn koninkrijk!