Instellingen

1


Hoedt u ervoor

dat ge uw gerechtigheid niet doet
voor de mensen
om door hen aanschouwd te worden;
anders hebt ge geen loon
bij uw Vader in de hemelen!

2


Wanneer je dus een (daad van)

ontferming doet,
bazuin het niet voor je uit,
zoals de oordeeloompjes doen
in de samenkomsten
en in de stegen
om verheerlijkt te worden door de mensen;

amen is het, zeg ik u,

zij hebben hun loon al;

3


maar als jij een (daad van)

ontferming doet,
moet je linkerhand niet weten
wat je rechterhand doet,

4


opdat je ontferming

er is in het verborgene;
en je Vader die
in het verborgene kijkt,
zal je ervoor teruggeven!

5


En wanneer ge bidt,

weest dan niet als de oordeeloompjes;
omdat zij ervan houden
in de samenkomsten en op de hoeken
van de straten staande te bidden,
om zich te vertonen aan de mensen;

amen is het, zeg ik u,

zij hebben hun loon al;

6


maar jij, wanneer je bidt,

kom je binnenkamer in,
sluit je deur en bid tot je Vader
die er is in het verborgene;
en je Vader die
in het verborgene kijkt
zal je ervoor teruggeven;

7


bidt niet met een

stortvloed van woorden
zoals die uit de volkeren;
want zij denken dat zij
door hun vele woorden
verhoord zullen worden;

8


wordt hun dan niet gelijk;

want God, uw Vader, weet
waaraan ge gebrek hebt
vóórdat ge hem iets vraagt;

9


bidt dan zó, gij:

Vader over ons in de hemelen,
geheiligd worde úw naam;

10


kome úw koninkrijk,

geschiede úw wil
als in hemel ook op aarde;

11


ons nodige brood,

geef ons dat heden;

12


en vergeef ons

onze schulden,
zoals ook wíj vergeven hebben
ónze schuldenaren;

13


en breng ons niet in beproeving,

nee, ontruk ons aan het boze!

14


Want als ge aan de mensen

hun misstappen vergeeft,
zal uw hemelse Vader
ook u vergeven;

15


maar als ge aan de mensen

niet vergeeft,
zal uw Vader
ook uw misstappen niet vergeven!

16


Wanneer ge vast,

wordt dan niet als de oordeeloompjes
somber van gelaat;
want zij maken
hun gelaten ontoonbaar
om te tonen aan de mensen
dat zij vasten;

amen is het, zeg ik u,

zij hebben hun loon al!-

17


maar jij, als je vast,

zalf dan je hoofd en
was je gelaat,

18


zodat je niet aan de mensen toont

dat je vast
maar aan je Vader die in het verborgene is;
en je Vader,
die in het verborgene kijkt,
zal je ervoor teruggeven.

19


Slaat voor uzelf geen schatten op

in schatkamers op de aarde,
waar mot en roest
(ze) ontoonbaar maakt,
en waar dieven zich naar binnen graven
en stelen;

20


maar slaat voor u schatten op

in schatkamers in de hemel,
waar noch mot noch roest
(ze) ontoonbaar maakt
en waar dieven niet naartoe graven
en niet stelen;

21


want waar je schat is,

daar zal ook je hart zijn!

22


De lamp van het lichaam is

het oog;
als dan je oog onvertroebeld is,
zal heel je lichaam licht zijn;

23


maar als je oog boos is,

zal heel je lichaam duister zijn;
als dan het licht in jou
duisternis is,
hoe groot (is dan) de duisternis!

24


Niemand is bij machte twee heren

te dienen;
want of hij zal de ene haten
en de andere liefhebben,
of aan de ene zich hechten
en de andere minachten;
ge zijt niet bij machte
God te dienen én Mammon!

25


Daarom zeg ik u:

weest niet bezorgd voor uw ziel
over wat ge moet eten
en niet voor uw lichaam
over wat ge moet aantrekken;
is de ziel niet méér dan het voedsel
en het lichaam dan de kledij?-

26


kijkt naar de vogels van de hemel,

omdat zij niet zaaien en niet maaien
en niet verzamelen in schuren,
en uw hemelse Vader hen voedt:
verschilt gíj niet heel wat van hen?-

27


wie is met bezorgd zijn bij machte

één el aan zijn lengte toe te voegen?-

28


en wat maakt ge u zorgen

over kleding?-
leert van de –oordeelloze– leliën* Omdat er weer oordelen en niet oordelen op komst is (7,1-2), nodigt het Grieks op deze plek (ta krina) uit om i.p.v. leliën te lezen: oordeellozen of oordeelloze bloemen. op het veld,
hoe ze groeien: zij zwoegen niet
en spinnen niet…

29


ik zeg u dat zelfs Salomo

in al zijn heerlijkheid
niet omworpen* Of: gekleed. is geweest
als één van hen;

30


maar als God het gras op het veld

dat er vandaag is
en morgen in een oven wordt geworpen
zó tooit, dan niet veel méér
ú, kleingelovigen?-