Instellingen

1


Wat mijzelf betreft:

toen ik tot u kwam, broeders-en-zusters,
kwam ik niet
met een hoogstandje van woord of wijsheid
u het geheimenis van God
verkondigen.

2


Want ik heb het niet juist geoordeeld

iets anders te weten in uw midden
dan Jezus Christus
en zijn sterven aan het kruis.

3


Wat mijzelf betreft,

ik kwam in zwakheid
en in een groot vrezen en beven
tot u

4


en mijn woord en mijn prediking

bestond niet uit
geloofwekkende woorden van wijsheid
maar in betoon
van geest en kracht,-

5


opdat uw geloof niet zou zijn

in wijsheid van mensen
maar in kracht van God.

6


Toch is het wijsheid waarvan wij spreken

bij de toegewijden,
maar een wijsheid die niet van deze eeuw is
noch van de oversten van de eeuw,-
die werkeloos worden!

7


Nee, wij spreken van Gods wijsheid

als een geheimenis,
een wijsheid die verborgen is geweest,
die God heeft voorbeschikt vóór alle eeuwen
tot onze heerlijkheid;

8


niemand van de oversten van deze eeuw

heeft haar herkend;
want als ze haar hadden herkend
zouden ze de Heer der heerlijkheid
niet hebben gekruisigd;

9


nee, het is zoals geschreven staat:

‘wat geen oog gezien heeft
en geen oor gehoord
en in geen mensenhart is opgekomen:
al wat God bereid heeft
voor wie hem liefhebben’ (Jes. 64,4).

10


Want aan óns heeft God dat onthuld,

door de Geest;
want de Geest doorvorst alle dingen,
ook de diepten van God.

11


Wie immers van de mensen weet

wat er in de mens omgaat?
Alleen de geest van de mens die in hem is!
Zo ook kent niemand wat er in God omgaat
dan alleen de Geest van God.

12


Wij nu hebben niet de geest van deze wereld

ontvangen
maar de Geest die uit God is,
opdat wij zullen weten
al wat ons door God in genade is geschonken;

13


waarvan wij dan ook spreken,

niet in woorden die
menselijke wijsheid onderrichten,
maar in onderrichtingen
vol van geestesadem,
en zo verenigen wij geestelijk met geestelijk.

14


Maar een mens van nature

is niet ontvankelijk
voor alles van de Geest van God;
want dat is voor hem dwaasheid,
en hij is niet bij machte het te herkennen,
omdat het slechts op de wijze van de Geest
doorgrond wordt.

15


Wie echter door de Geest verlicht wordt

doorgrondt wel alle dingen,
maar zelf wordt hij door niemand doorgrond.

16


Want ‘wie heeft het denken des Heren

herkend dat hij hem raad zal geven?’ (Jes. 40,13).
Wij echter hebben het denken van Christus.