Instellingen

1


Moet men zich ergens op beroemen?-

het draagt nergens toe bij,
maar dan zal ik overgaan op
visioenen en openbaringen van de Heer:

2


ik weet dat een mens

in eenheid met Christus,
veertien jaren geleden
-of het ín het lichaam was weet ik niet,
of het buiten het lichaam was weet ik niet,
God weet het-
dat zo iemand is meegevoerd
tot in de derde hemel.

3


En ik weet dat zo’n mens

-of het ín het lichaam was
of los van het lichaam
weet ik niet, dat weet God-

4


dat hij is meegevoerd naar het paradijs

en onzegbare dingen heeft horen zeggen
die een mens niet mag uitspreken.

5


Over zo iemand zal ik roemen,

maar over mijzelf zal ik niet roemen
behalve in mijn zwakheden.

6


Want als ik mij zal willen beroemen

zal ik ook niet onverstandig zijn,
want ik zal zeggen wat waarheid is;
maar ik houd mij in,
opdat niemand over mij hoger zal denken
dan hij van mij ziet
of uit mij hoort,

7


ook in de overvloed van de openbaringen;

daarom, opdat ik mij niet zal verheffen
is mij een doorn in het vlees gegeven,
een engel van satan,
om mij vuistslagen te geven
opdat ik mij niet zal verheffen.

8


Hierover heb ik driemaal

de Heer aangeroepen
dat hij van mij zou afstaan.

9


En toen heeft hij tot mij gezegd:

mijn genade is voor jou genoeg;
want de kracht wordt in zwakheid volbracht!
Het liefst zal ik dan
eerder roemen in mijn zwakheden,
opdat op mij komt wonen
de kracht van de Gezalfde.

10


Daarom heb ik welbehagen in zwakheden,

in beledigingen, in noden, in vervolgingen
en benauwingen ter wille van Christus;
want wanneer ik zwak ben,
dán ben ik krachtig!

11


Ik ben onverstandig geworden;

ú hebt me gedwongen.
Want ík hoorde door u
aangeprezen te worden.
Want ík ben in niets tekortgeschoten
bij de voortreffelijkste apostelen,
al ben ik ook niets.

12


De merktekenen van de apostelen

zijn toch in uw midden verwerkelijkt
in alle volharding
en in tekenen en wonderen
en krachten.

13


Want wat is er waarmee u

achtergesteld bent
bij de overige vergaderingen,
behalve dat ikzelf u
niet heb lastiggevallen?
Weest genadig voor mij
inzake dit onrecht!

14


Zie, dit is de derde keer

dat ik gereed sta om
tot u te komen
en u niet lastig zal vallen;
want ik zoek niet het uwe
maar u!
Want de kinderen hoeven niet
schatten te vergaderen voor de ouders,
nee, de ouders voor de kinderen!

15


Ík zal heel graag opmaken

en opgemaakt worden
voor uw zielen;
als ik u overvloediger bemin,
word ik dan minder bemind?

16


Maar het moet zo zijn:

ik ben u niet tot last geweest,
maar sluw als ik ben
heb ik u met list beetgenomen!

17


Misschien een van hen die ik

tot u heb uitgezonden,
heb ik u door hem uitgebuit?

18


Ik heb Titus daarvoor geroepen

en de broeder méé-uitgezonden;
heeft misschien Titus u uitgebuit?
Hebben wij niet in dezelfde geest
gewandeld, niet in dezelfde voetsporen?

19


Denkt ge opnieuw dat wij

ons voor u verdedigen?
Tegenover God, in Christus, spreken wij!
Maar het is alles, beminden,
voor uw opbouw.

20


Want ik vrees

dat ik, als ik mogelijk kom,
u niet zal aantreffen
zoals ik wil,
en dat ook ík door u
word aangetroffen
zoals gij niet wilt,-
dat er mogelijk twist en naijver zullen zijn,
opvliegers, twistgedingen, kwaadsprekerijen,
roddels, verwaandheden, wanordelijkheden,

21


en dat opnieuw als ik kom

mijn God me bij u zal vernederen,
en ik rouw zal moeten dragen
over velen van hen
die vroeger hebben gezondigd
en zich niet hebben bekeerd
van de onreinheid en ontucht
en teugelloosheid die zij
hebben bedreven.