Instellingen

1


In dat tijdsgewricht zei de Ene tot mij:

hak jij
twee stenen platen uit, net als de eerste,
en klim op naar mij, de berg op;
maken zul je je dan een kist van hout;

2


ik zal op de platen schrijven

de woorden
die op de eerste platen zijn geweest,
   die jij hebt verbrijzeld;

leggen zul je die in de kist!

3


Ik maakte een kist van acaciastammen,

hakte twee stenen platen uit
   net als de eerste,-

en klom de berg op,
met de twee platen in mijn hand.

4


Toen schreef hij op de platen
   in hetzelfde schrift als het eerste

de tien woorden
welke de Ene tot u heeft gesproken
   op de berg, vanuit het vuur,
   ten dage van de vergadering;

toen gaf de Ene ze aan mij.

5


Ik wendde mij om,

daalde af van de berg
en legde de platen
in de kist die ik had gemaakt;
die zijn nu dáárin aanwezig,-
zoals de Ene mij heeft geboden.

6


De zonen Israëls

zijn opgebroken van Beërot Benee Jaäkan,-
   bronnen van de zonen van Jaäkan,
   naar Mosera;

daar is Aäron gestorven,
   begraven werd hij daar,

en priester werd in zijn plaats
   zijn zoon Elazar.

7


Vandaar zijn ze opgebroken
   naar de Goedgod;

van de Goedgod naar Jotvata,
een land van beekdalen vol water.

8


In dat tijdsgewricht

zonderde de Ene de stam van de Leviet af
om te dragen de kist met het verbond
   van de Ene,-

om te staan voor het aanschijn van de Ene,
   om zíjn dienst te verrichten en
   om te zegenen met zijn naam,

tot op deze dag.

9


Zodoende

is er voor Levi nooit aandeel
   en erfgoed geweest bij zijn broeders:

de Ene, híj is zijn erfdeel,-
zoals de Ene, je God,
   tot hem heeft gesproken.

10


En ik,

ik ben blijven staan op de berg
als in de eerdere dagen
veertigmaal een dag
en veertigmaal een nacht;
toen hoorde de Ene naar mij
ook die keer:
de Ene heeft je niet willen verderven.

11


Toen zei de Ene tot mij:

sta óp, gá en breek op
   voor het aanschijn van de gemeente uit:

ze zullen binnenkomen en beërven het land
dat ik aan hun vaderen heb gezworen
   aan hen te geven.

12


Welnu, Israël,

wat heeft de Ene, je God,
anders van je gevraagd
dan te vrezen de Ene, je God,
   door te wandelen in al zijn wegen
   en hem lief te hebben,

door de Ene, je God, te dienen
met heel je hart en met heel je ziel;

13


door te waken

over de geboden van de Ene
   en zijn inzettingen

die ik je heden gebied,-
jou ten goede.

14


Zie, van de Ene, je God, zijn

de hemelen en de hemelen der hemelen,-
het aardland en alles daarop,

15


maar alleen aan jouw vaderen heeft de Ene
   zich gehecht
   en hen liefgehad;

en hij verkoos
hún zaad na hen,
u allen, boven alle andere gemeenschappen,-
   zoals op deze dag.

16


Besnijdt dan

de voorhuid van uw hart,-
en uw nek,
verhardt die niet nog meer!

17


Want de Ene, God-over-u,

híj is de God der goden
en de Heer der heren;
de godheid groot, heldhaftig
   en vreeswaardig

die een aanschijn niet voortrekt
en een geschenk niet aanneemt,

18


een dader van recht aan wees en weduwe;

een die een zwerver-te-gast liefheeft
en hem brood en een mantel geeft;

19


hebt dan ook gij de zwerver-te-gast lief,-

want zwervers-te-gast zijt ge geweest
   in het land van Egypte;

20


de Ene, je God, zul je vrezen,
   hém zul je dienen;

aan hém zul je je hechten
en bij zíjn naam zul je zweren.

21


Híj is je psalm en híj is je God,-

die bij jou heeft gedaan
deze grote en vreeswekkende dingen
die jouw ogen hebben gezien.

22


Met zeventig ziel

daalden je vaderen af naar Egypte,-
en nú?-
de Ene, je God, heeft je gemaakt
als de sterren des hemels zo talrijk!