Instellingen

1


Het geschiedt, vele dagen

nadat de Ene aan Israël
   rust heeft geschonken
   van al zijn vijanden rondom:

Jozua is oud geworden,
op dagen gekomen.

2


Jozua roept heel Israël op,

zijn oudsten en zijn hoofden,
zijn rechters en zijn opzieners,-
en zegt tot hen:
ik, ik ben oud geworden,
op dagen gekomen;

3


en gíj, gij hebt gezien

al wat de Ene, uw God, voor uw aanschijn
aan al deze volkeren heeft gedaan;
want de Ene, uw God,
hij is het die voor u oorlog voert;

4


ziet, ik heb voor u
   deze overgebleven volkeren
   laten vallen als erfdeel voor uw stammen,-

van de Jordaan,
met alle volkeren die ik heb weggesneden,
tot aan de grote zee,
   daar waar de zon thuiskomt;

5


de Ene, uw God,

hij zal ze wegstoten van uw aanschijn,
en onterven zal hij ze,
   weg van voor uw aanschijn;

beërven zult gij hun land,
zoals de Ene, uw God, tot u heeft gesproken;

6


maar maakt u zeer sterk

om te bewaken en te doen
al wat is geschreven
in de boekrol van Mozes’ onderricht,-
door daarvan niet af te wijken links of rechts,

7


door niet binnen te komen bij deze volkeren

die bij u overgebleven zijn;
bij de naam van hun goden
   zult ge niet gedenken
   en niet zweren,

ge zult hen niet dienen
en u voor hen niet buigen;

8


nee, de Ene, uw God, zult ge aanhangen,-

zoals ge hebt gedaan
tot op deze dag;

9


en de Ene heeft voor uw aanschijn onterfd

volkeren groot en sterk;
en voor u geldt:
   geen man is staande gebleven
   bij uw verschijning,

tot op deze dag;

10


één man uit u achtervolgt er duizend,-

want de Ene, uw God,
hij is het die voor u oorlog voert,
zoals hij tot u heeft gesproken;

11


zeer waakzaam zult ge zijn voor uw zielen,-

om lief te hebben de Ene, uw God;

12


want als ge omkerend u afkeert

en het overblijfsel
   van deze volkeren zult aanhangen,

zij die bij u overgebleven zijn,
en u met hen verzwagert
   en bij hen binnenkomt
   en zij bij u,

13


welgeweten zult ge er weet van hebben

dat de Ene, uw God, niet zal dóórgaan
deze volkeren te onterven,
   weg van voor uw aanschijn;

worden zullen zij u tot klapnet en strik,
tot gesel op uw zijden
   en doornen in uw ogen,

totdat ge verdwenen zijt
van deze goede grond
die aan u gegeven heeft
de Ene, uw God;

14


zie, ik ga heden

de weg van al het aardland;
weet dan met heel uw hart en heel uw ziel
dat niet één woord is vervallen
   van al de goede woorden

die de Ene, uw God, over u gesproken heeft:
alles is voor u gekomen,
niet één woord ervan is vervallen;

15


en het zal geschieden:

zoals over u gekomen is
   heel het goede woord

dat de Ene, uw God, tot u heeft gesproken,-
zó ook zal de Ene over u doen komen
heel het kwade woord,
totdat hij u verdelgd heeft
van deze goede grond
die hij aan u gegeven heeft,
de Ene, uw God;

16


als ge het verbond van de Ene, uw God,
   dat hij u heeft geboden, zult overtreden* Letterlijk: oversteken.

en heengaan zult
en dienaar wordt van andere goden,
en u voor hen neerwerpt,-
zal de toorn van de Ene tegen u ontbranden
en zult ge weldra verdwijnen
van het goede land
dat hij u heeft gegeven!