Instellingen

1


Oudsten die er onder u zijn

roep ik op, als mede-oudste
en getuige van alle lijden
van de Gezalfde en ook
deelgenoot van de heerlijkheid
die geopenbaard gaat worden:

2


weidt de kudde van God

die bij u is, niet uit dwang
maar vrijwillig, naar Gods wil,
en niet uit winstbejag
maar welgezind,

3


niet de heer spelend over de erfdelen,

maar als voorbeelden voor de kudde.

4


En wanneer de opperherder verschijnt,

zult ge de niet-verwelkende krans
der heerlijkheid verkrijgen.

5


Evenzo, jongeren: onderschikt u

aan ouderen; knoopt allen
tegenover elkaar het schort van
de nederige bescheidenheid om,
omdat ‘God hoogmoedigen weerstaat
maar nederigen genade geeft’ (Spr. 3,34).

6


Vernedert u dan

onder de krachtige hand van God,
dan zal hij u verhogen
in zijn tijdsgewricht,

7


en ‘werpt al uw zorg op hem,

want hij bekommert zich om u’ (Ps. 55,23).

8


Weest nuchter, blijft wakker;

uw tegenpartij de uiteenwerper
gaat rond als een brullende leeuw,
zoekend wie hij kan verslinden;

9


weerstaat hem, vast in het geloof,

en weet dat hetzelfde van
al dit lijden aan uw broeders-en-zusters
in (de) wereld wordt voltrokken.

10


Maar de God van alle genade,

die u geroepen heeft tot zijn
eeuwige heerlijkheid in Christus,
zal u na een korte tijd van lijden
zelf toerusten, bevestigen,
sterken, grondvesten;

11


hem zij de kracht

tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.

12


Op aandrang van Silvanus, de u

trouwe broeder naar mijn mening,
heb ik in het kort geschreven
om u te bemoedigen, en te betuigen
dat dit de ware genade van God is,
waarin ge staat.

13


U groet de mede-uitverkorene in Babylon,

en Marcus, mijn zoon;

14


groet elkaar met een kus van liefde,

Vrede voor u allen die in Christus zijt!