Instellingen

1


En mij werd een rietstengel gegeven,

een scepter gelijk,
met de woorden:
sta op en meet de tempel van God,
én het altaar en hen die
daarin hulde brengen:

2


en laat de voorhof buiten de tempel

erbuiten vallen en meet die níet,
want hij werd aan de volkeren* Of: heidenen. gegeven
en zij zullen de heilige stad vertrappen,
tweeënveertig maanden lang;

3


en ik zal mijn twee getuigen opdracht geven

en zij zullen profeteren
twaalfhonderdzestig dagen lang,
gehuld in rouwzakken!

4


Zij zijn ‘de twee olijfbomen en de twee

kandelaren, die vóór het aanschijn
van de Heer van de aarde staan’

(Zach. 4,3 en 11-14).

5


En indien iemand hun onrecht wil doen,

zal vuur uitgaan uit hun mond
om hun vijanden te verteren.
Ja, indien iemand hun onrecht
zal willen doen,
moet hij zó sterven.

6


Zíj hebben de macht de hemel te sluiten,

zodat er geen regen valt
gedurende de dagen van hun profeteren.
En zij hebben macht over de wateren
om die in bloed te veranderen,
en om de aarde met allerlei plagen te slaan,
zo dikwijls als zij maar willen.

7


En wanneer zij hun getuigenis

tot voleinding gebracht hebben,
zal het beest dat opkomt uit de afgrond
oorlog met hen voeren
en hen overwinnen en doden.

8


En hun lijk zal blijven liggen

op de straat van de grote stad,
die geestelijk ‘Sodom’ en ‘Egypte’
genoemd wordt,
waar ook hun Heer is gekruisigd.

9


En mensen van alle gemeenschappen

en stammen, talen en volkeren,
bekijken hun lijken drieëneenhalve dag lang
en laten niet toe
dat ze in een graf worden gelegd.

10


En die op de aarde wonen verheugen zich

over hen,
en vieren feest en zenden elkaar geschenken,
omdat deze twee profeten
de bewoners van de aarde hebben gekweld.

11


En na drieëneenhalve dag

kwam levensadem uit God in hen,
en zij gingen op hun voeten staan (Ez. 37,5-10),
en een grote vrees
viel op hen die hen aanschouwden.

12


En zij hoorden een luide stem

uit de hemel tot hen zeggen:
klimt óp, hierheen!
En zij klommen ten hemel op in de wolk,
en hun vijanden aanschouwden hen.

13


En op dat uur geschiedde

een grote aardbeving
en het tiende deel van de stad viel in,
en zevenduizend namen van mensen
werden in de beving gedood.
En het geschiedde dat de overigen
door vrees bevangen werden,
en zij gaven glorie aan de God van de hemel.

14


Het tweede ‘wee’ is voorbij;

zie, het derde ‘wee’ komt weldra!

15


En de zevende engel blies de bazuin,

en grote stemmen geschiedden in de hemel,
roepend:
geschied is het koningschap over de wereld
van onze Heer en zijn Gezalfde;
en hij zal als koning heersen
tot in de eeuwen der eeuwen!

16


En de vierentwintig oudsten,

die vóór het aanschijn van God op hun tronen
gezeten zijn, vielen op hun aanschijn en
brachten God hulde, zeggend:

17


wij danken u, Heer God, albeheerser,

die is en die was,
dat gij uw grote kracht hebt opgenomen
en uw koningschap begonnen zijt;

18


de volken waren in toorn ontstoken,

maar uw toorn is gekomen
én het tijdstip om de doden te oordelen,-
om het loon te geven aan
uw dienaren de profeten
en aan de heiligen en wie uw naam vrezen,
de kleinen en de groten,
en om te verderven die de aarde verderven!

19


En geopend werd de tempel van God

in de hemel, en zichtbaar werd
de ark van zijn verbond in zijn tempel;
en er geschiedden bliksemstralen
en stemmen,
donderslagen, een aardbeving
en zware hagel.