Instellingen

1


Dan zegt Samuël tot heel Israël:

zie, gehoord heb ik naar uw stem
in al wat ge tot mij hebt gezegd,-
en ik heb een koning over u koning gemaakt;

2


en nu:

zie de koning, wandelend voor uw aanschijn!-
en ik,
   ik ben oud geworden en grijs geworden

en mijn zonen: zie, die zijn bij u;
en ik, ik heb gewandeld voor uw aanschijn
vanaf mijn jeugd tot op deze dag;

3


zie, hier ben ik; antwoordt tegen mij
   tegenover de Ene
   en tegenover zijn gezalfde:

wiens os heb ik genomen
   en wiens ezel heb ik genomen?,

wie heb ik afgezet en wie heb ik mishandeld?,
en uit wiens hand
   heb ik toedekgeld aangenomen

dat ik daardoor een oogje zou dichtdoen?-
ik zal het tot u laten terugkeren!

4


En zij zeggen:

je hebt ons niet afgezet
   en ons niet mishandeld;

en je hebt nooit uit iemands hand
   wat-dan-ook aangenomen!

5


Hij zegt tot hen: getuige tegen u is de Ene

en getuige is op deze dag zijn gezalfde,
dat ge nooit in mijn hand
   wat-dan-ook hebt gevonden!

En zij zeggen: hij is getuige!

6


Samuël zegt tot de gemeente:

de Ene is het
die Mozes en Aäron heeft gemaakt
en die uw vaderen heeft doen opklimmen
   uit het land van Egypte;

7


welnu,

stelt u op, dan zal ik
   voor het aanschijn van de Ene u richten

om alle gerechtigheden van de Ene
waarmee hij u en uw vaderen gemaakt heeft;

8


met dat Jakob was gekomen in Egypte,-

schreeuwden uw vaderen het uit tot de Ene
   en zond de Ene Mozes en Aäron;
   zij hebben uw vaderen uitgeleid uit Egypte

en doen terugkeren op deze plaats;

9


maar zij vergaten de Ene, hun God,

en hij verkocht hen
in de hand van Sisera,
   de overste van Chatsors strijdschaar,
   in de hand van de Filistijnen

en in de hand van de koning van Moab,-
die oorlog met hen voerden;

10


zij schreeuwden tot de Ene en zeiden:
   gezondigd hebben wij!,

want verlaten hebben wij de Ene
en zijn gaan dienen de baäls en de asjtartes!-
maar nu,
red ons uit de hand van onze vijanden
   en wij zullen u dienen!

11


De Ene zond Jeroebaäl en Bedan,

Jefta en Samuël,-
en redde u
   uit de hand van uw vijanden rondom,

zodat ge zetelt in veiligheid;

12


maar toen zag u

dat Nachasj,
de koning van de zonen van Amon,
   over u kwam,

en u zei tot mij:
nee!,
want er moet een koning
   koning over ons zijn!-

terwijl de Ene uw God, uw koning was;

13


welnu,

ziehier de koning die ge hebt verkozen,
   die ge hebt gewenst!-

ziehier, gegeven heeft de Ene over u
   een koning;

14


als ge de Ene vreest,

hem zult dienen, zult horen naar zijn stem
en niet zult rebelleren
   tegen de mond van de Ene,-

er zijn zult ge dan, zowel gij
als de koning die over u koning is geworden
in het gevolg van de Ene, uw God;

15


en als ge niet hoort naar de stem van de Ene

en zult rebelleren
   tegen de mond van de Ene,-

zijn zal dan de hand van de Ene tegen u
   en uw vaderen;

16


nu dan, stelt u ook op en ziet

dit grote spreken,-
dat de Ene gaat doen voor uw ogen;

17


is het niet tarweoogst vandaag?-

ik zal roepen tot de Ene
en die zal (donder)stemmen
   en slagregen geven;

weet dan en ziet in
hoe overvloedig uw kwaad is
   dat ge hebt gedaan
   in de ogen van de Ene

door u een koning te wensen!
••

18


Samuël roept tot de Ene

en de Ene geeft donderstemmen
   en slagregen,
   nog op diezelfde dag,-

zodat heel de gemeenschap
   zeer bevreesd wordt
   voor de Ene en voor Samuël.

19


Ze zeggen, heel de gemeenschap, tot Samuël:

bid voor je dienaars tot de Ene, je God,
   opdat we niet sterven,-

want aan al onze zonden
   hebben wij kwaad toegevoegd

door ons een koning te wensen!
••

20


Dan zegt Samuël tot de gemeente:
   vreest niet,

al hebt gij
al dit kwaad gedaan;
alleen:
wijkt niet meer af van achter de Ene
en dient de Ene met heel uw hart;

21


wijkt niet af,-

want de chaos achterna gaan zij
die niet kunnen helpen en bevrijden
   omdat zij zelf chaos zijn;

22


want de Ene
   zal zijn gemeente niet verwerpen,

omwille van zijn grote naam;
want de Ene is vastbesloten
u voor hem tot gemeente te maken;

23


zo ook ík:

het zij verre van mij
   te zondigen tegen de Ene

door op te houden voor u te bidden;
ik zal u onderrichten
over een weg die goed is en recht!-

24


alleen: vreest de Ene

en dient hem in trouw, met heel uw hart;
want ziet al het grote
   dat hij bij u heeft verricht!-

25


maar als ge kwaadwillend kwaad doet,-

zult ge, én gijzelf én uw koning,
   worden weggevaagd!