Instellingen

5


David trekt uit,
   overal heen waar Saul hem zendt,
   en is voorspoedig,

en Saul stelt hem aan
over de mannen van oorlog,-
en dat is goed
   in de ogen van heel de manschap

en ook
in de ogen van de dienaars van Saul.

6


Het geschiedt als zij aankomen,

als David terugkeert
   van het verslaan van de Filistijn,

dat de vrouwen uit al Israëls steden uitgaan,
   zingend en reidansend

koning Saul tegemoet,-
met trommels, vreugdebetoon en triangels.

7


Lachend antwoorden de vrouwen elkaar
   en zeggen:

Saul versloeg zijn duizenden
en David zijn tienduizenden!

8


Dat steekt zeer bij Saul;

dit spreken is kwaad in zijn ogen
en hij zegt:
ze gaven David tienduizenden
en mij gaven ze de duizenden!-
nu alleen nog het koningschap aan hem!

9


Saul begint David in het oog te houden,-

van die dag af en voortaan.
••

10


Het geschiedt de volgende morgen:

een boze geest van God grijpt Saul aan
   en hij raakt binnen in het huis
   in vervoering,

terwijl David met zijn hand zit te spelen
   als dag aan dag,-

en de lans in Sauls hand is.

11


Saul gooit de lans

en zegt: ik sla David aan de wand!
Maar David draait weg van zijn aanschijn,
   twee keer.

12


Dan wordt Saul bevreesd
   voor het aanschijn van David,-

want de Ene is met hem geweest
en niet meer met Saul: hij is geweken.