Instellingen

4


Hij komt aan
   bij de schaapskooien langs de weg
   waar ook een spelonk is;

Saul komt er binnen om
   ‘zijn voeten van elkaar te doen’,-

terwijl David en zijn mannen
in de ‘heupen’ van de spelonk zitten.

5


Davids mannen zeggen tot hem:

hier is heden wat de Ene tot je heeft gezegd:
‘ziehier, ik geef je je vijanden in je hand!’,-
je kunt nu met hem doen
zoals goed is in je ogen!
Dan staat David op
en snijdt een ‘vleugel’ van het overkleed af
   dat Saul aanheeft, ongemerkt.

6


Het geschiedt pas daarná

dat Davids hart in hem bonst,-
omdat hij een ‘vleugel’ van Saul
heeft afgesneden.
••

7


Hij zegt tot zijn mannen: verre zij het van mij
   vanwege de Ene

dat ik dát spreken zou doen aan mijn heer,
   aan de gezalfde van de Ene:

mijn hand tegen hem uitsteken!-
want hij is de gezalfde van de Ene!

8


Zo hartverscheurend
   spreekt David zijn mannen toe,

en hij heeft het hun niet gegeven
   tegen Saul op te staan;

als Saul is opgestaan uit de spelonk
   gaat hij zijns weegs.

••

9


Daarna staat David op:

hij komt uit de spelonk naar buiten,
roept Saul achterna en zegt:
mijn heer!, o koning!
Saul kijkt achterom
en David knielt
   met de neusgaten ter aarde
   en onderwerpt zich.

••

10


Dan zegt David tot Saul:

waarom hoor jij mensenwoorden aan
   die zeggen

‘zie, David
is op zoek naar kwaad voor jou!’-

11


zie, op deze dag hebben je ogen gezien

hoe de Ene
   je heden in mijn hand heeft gegeven
   in de spelonk!-

iemand zei dat ik je moest ombrengen,
   maar (mijn hand), zij heeft je ontzien;

ik zei:
ik steek mijn hand niet uit tegen mijn heer,
want hij is de gezalfde van de Ene!-

12


mijn vader, zie aan,

ja,
zie aan:
   de ‘vleugel’ van je overkleed in mijn hand!-

omdat ik
bij het afsnijden van de ‘vleugel’
   van je overkleed
   jou niet heb omgebracht:

weet en zie
   dat er in mijn hand geen kwaad is
   en geen misdraging
   en dat ik niet tegen jou heb gezondigd,

terwijl jij op mijn ziel loert
   om haar van mij te nemen!-

13


moge de Ene rechtspreken tussen mij en jou

en moge de Ene mij vanwege jou wreken:
mijn hand zal niet tegen jou wezen!-

14


zoals zegt

een spreuk van de voortijd:
‘boosheid komt voort uit boosdoéners!’-
mijn hand zal niet tegen jou wezen!-

15


achter wie trekt Israëls koning uit,

achter wie jaag jij aan?-
achter een dode hond!,
achter één enkele vlo!-

16


wezen moge de Ene tot oordelaar,

rechtspreken moge hij tussen mij en jou!-
hij moge zien en in mijn geding
   het geding voeren

en mij rechtdoen, weg uit jouw hand!

17


En het geschiedt,
   met dat David voleindigd heeft

deze uitspraken tot Saul
te spreken,
dat Saul zegt:
is dit jouw stem, mijn zoon David?,
en Saul verheft zijn stem en weent.

18


Hij zegt tot David:

rechtvaardig ben jíj en ik niet;
want jíj hebt het goede aan mij verricht!-
en ík heb het kwade aan jou verricht!-

19


jij hebt vandaag kunnen melden

wat je mij aan goeds hebt gedaan:
dat de Ene mij heeft laten opsluiten
   in jouw hand
   en je me niet hebt omgebracht;

20


wanneer iemand zijn vijand vindt,

zal hij hem dan goed zijns weegs laten gaan?-
de Ene moge je met goed vergelden
voor wat jij deze dag
voor mij gedaan hebt!-