Instellingen

8


Avisjai zegt tot David:

vandaag heeft God
   je vijand opgesloten in je hand;

welnu, laat mij hem toch
   met de lans aan de aarde vastslaan,
   in één keer,

want ik krijg geen tweede keer bij hem!

9


Maar David zegt tot Avisjai: verderf hem niet;

want wie heeft zijn hand uitgestrekt
   tegen een gezalfde van de Ene
   en is ongestraft gebleven?

10


David zegt: bij het leven van de Ene,

zéker zal de Ene hem neerstoten:
óf zijn dag komt en hij sterft
óf in de oorlog zal hij afdalen
   en worden weggerukt;

11


verre zij het voor mij vanwege de Ene

dat ik mijn hand zal uitstrekken tegen
   de gezalfde van de Ene;

welnu, neem toch de lans mee
   die aan zijn hoofdeinde staat,
   en de waterkruik,
   en laten we weggaan!

12


David neemt de lans
   en de waterkruik van het hoofdeinde
   van Saul mee

en dan gaan ze weg;
niemand ziet iets, niemand weet wat,
   niemand wordt wakker,

nee, allen slapen verder,
want een verdoving van de Ene
is over hen gevallen.

13


David steekt over naar de overkant

en staat stil op de top van de berg, ver weg,-
er is véél plaats tussen hen.

14


Dan roept David tot de manschap

en tot Abner, de zoon van Neer, en zegt:
geef je geen antwoord, Abner?
Abner geeft antwoord en zegt:
wie ben jíj
   dat je hebt geroepen tot de koning?

15


David zegt tot Abner:
   ben je een man?-

wie is als jij in Israël!,
waarom heb je dan niet gewaakt
over je heer, de koning,-
toen één uit de manschap kwam
om de koning, jouw heer, te verderven?-

16


het is niet goed,

dit woord dat jij hebt gedaan!-
bij het leven van de Ene:
kinderen des doods zijt gij,
nu ge niet gewaakt hebt over uw heer,
   over de gezalfde van de Ene!-

nu dan, zie eens:
waar zijn de lans van de koning en de waterkruik
   die aan zijn hoofdeinde stonden?

17


Dan herkent Saul de stem van David

en zegt:
is dat jouw stem, mijn zoon David?
En David zegt:
ja, míjn stem, mijn heer o koning!

18


En hij zegt:

waarom toch dit, dat mijn heer
   zijn dienaar achterna jaagt?-

want wat heb ik gedaan,
en wat voor kwaad is er in mijn hand?-

19


nu dan,

moge toch mijn heer, de koning, horen
de uitspraken van zijn dienaar:
als het de Ene is die jou tegen mij opzet,
   moge hij dan een broodgift ruiken;

maar als het zonen van Adam zijn,
vervloekt mogen zíj dan zijn
   voor het aanschijn van de Ene:

zij hebben mij heden-ten-dage verdreven
en daardoor kan ik niet verenigd blijven
   met het erfdeel van de Ene;
   en zeggen:

ga heen, dien ándere goden!-

20


nu dan,

moge niet mijn bloed ter aarde vallen,
weg van tegenover
   het aanschijn van de Ene,-

omdat uitgetogen is
Israëls koning
om één enkele vlo te zoeken,
zoals men in de bergen de patrijs achtervolgt!

21


Dan zegt Saul: gezondigd heb ik,
   keer terug, mijn zoon David,

want ik zal je niet nogmaals kwaaddoen,
omdat op deze dag
   mijn ziel in jouw ogen kostbaar is geweest;

zie, ik heb dwaas gedaan
   en heb ten zeerste gedwaald!

22


David antwoordt en zegt:

ziehier ’s konings lans;
laat één van de jongens oversteken
   en haar meenemen;

23


de Ene moge tot alleman laten terugkeren

zijn gerechtigheid en zijn trouw,
nu de Ene je vandaag
   in mijn hand heeft gegeven

en ik er niet in heb bewilligd
om mijn hand uit te strekken
   tegen de gezalfde van de Ene;

24


zie,

zo groot als jouw ziel
   op deze dag in mijn ogen was,-

zó moge mijn ziel groot zijn
   in de ogen van de Ene

en moge hij mij redden uit alle benauwing!

25


Saul zegt tot David:

gezegend jij, mijn zoon David;
én doende zul je doen
én machtig zul je vermogen!
Dan gaat David zijns weegs,
en Saul is teruggekeerd naar zijn woonplaats.