Instellingen

5


Als koning David is aangekomen
   bij Bachoeriem,-

zie, daaruit trekt een man naar buiten
   uit de familie van het huis van Saul,

en zijn naam is Sjimi, zoon van Gera:
al vloekend trekt hij naar buiten
   en verder naar buiten.

6


Hij bekogelt David met stenen,

en ook alle dienaren van koning David,-
met heel de manschap en alle helden
links van hem en rechts van hem.

7


Zó heeft Sjimi gezegd bij zijn vervloeking:

wég, wég jij, man van de stromen bloed
   en man van Belial!-

8


de Ene heeft op jou doen terugkeren
   alle stromen bloed van het huis van Saul

in wiens plaats jij koning bent geworden,
en de Ene geeft nu het koningschap
in de hand van je zoon, Absalom;
zie jou nu eens in je eigen kwaad,
omdat je een man van stromen bloed bent, jij!

9


Dan zegt Avisjai, zoon van Tseroeja,
   tot de koning:

waarom vervloekt
deze dode hond
mijn heer de koning?-
laat mij toch oversteken
   en zijn kop van zijn romp slaan!

••

10


Maar de koning zegt:

wat is dat tussen mij en u,
   zonen van Tseroeja?-

wanneer hij mij vervloekt
en wanneer de Ene tot hem heeft gezegd
‘vervloek David!’,
wie zal dan zeggen
‘waarom heb je zo gedaan?’
••

11


David zegt tot Avisjai en tot al zijn dienaren:

zie, mijn zoon
   die uit mijn ingewanden is uitgetogen
   zoekt mijn ziel;

hoeveel te meer dan nu een Benjaminiet!-
laat hem met rust
   en laat hij mij maar vervloeken,

want de Ene zal het hem hebben gezegd!-