Instellingen

12


Gemeld wordt

aan koning David en gezegd:
gezegend heeft de Ene
het huis van Obed Edom en al het zijne
omwille van de ark van God!
Dan gaat David heen
en laat hij de ark van God opklimmen
   uit het huis van Obed Edom
   naar de Davidsstad,
   onder vreugdebetoon.

13


En het geschiedt:

wanneer de dragers van de ark van de Ene
   zes schreden zijn voortgeschreden,-

offert hij een os en een mestkalf,

14


terwijl hij, David, met alle macht ronddanst
   voor het aanschijn van de Ene,-

David
omgord met een efod van linnen.

15


David en heel het huis van Israël

laten de ark van de Ene opklimmen,-
onder geschal
   en bij de stem van de ramshoorn.

16


Maar het geschiedt: als de ark van de Ene

aankomt in de Davidsstad
heeft Sauls dochter Michal
   uitzicht door het venster

en ziet zij koning David springen
   en ronddansen
   voor het aanschijn van de Ene,

en zij veracht hem met heel haar hart.

17


Ze komen met de ark van de Ene aan

en stellen hem op zijn plaats
midden onder het tentdoek
dat David voor hem heeft gespannen;
dan laat David
   voor het aanschijn van de Ene
   opgangsgaven opklimmen,
   en vredesgaven.

18


Als David eindigt

met het laten opklimmen van de opgangsgave
   en de vredesgaven,-

zegent hij de gemeente
met de naam van de Ene,
de Omschaarde.

19


Aan heel de gemeente,
   aan heel de menigte van Israël,
   van man tot vrouw, deelt hij uit,

aan ieder één vlechtbrood,
één klomp dadels
en één rozijnenkoek;
dan gaat heel de gemeente heen
ieder naar zijn huis.

20


Ook David keert terug,
   om zijn huis te zegenen;

maar dan komt naar buiten,
David tegemoet, Sauls dochter Michal,
en zegt:
hoe geëerd heeft Israëls koning
   zich vandaag gemaakt,

toen hij zich vandaag ontblootte
   voor de ogen van de dienstmaagden
   van zijn dienaars

zoals het eerste het beste leeghoofd
   ontblotend zich ontbloot!

21


David zegt tot Michal:

voor het aanschijn van de Ene was het,
die mij heeft verkozen boven je vader
   en boven heel zijn huis

om mij te gebieden als leidsman
   over de gemeente van de Ene, over Israël;

ik heb gespeeld
   voor het aanschijn van de Ene!-

22


ik wil nog wel geringer zijn
   dan dit keer,-

ik zal sjofel zijn in eigen ogen,-
en bij de dienstmaagden waarover je iets zei,
bij hen zal ik geëerd zijn!